Literatuur

1 The Economist, 11 maart 1972. pag. 20: het artikel was geschreven door Norman Macrae.
2 Zie hiervoor het artikel ,,De groei van de grenzen" van de schrijver in Intermediair, 4 oktober 1974. pag. 29. Zie ook hier

 

3 Dennis Meadows e.a.: ,.De grenzen aan de groei - rapport van de Club van Rome"; uitg. Het Spectrum (Aula-reeks, nr. 500), Utrecht/Antwerpen; 1972.
4 Assar Lindbeck: „De onzekere toekomst", vertaling uit het Zweeds, in: Internationale Samenwerking (maandblad van het Directoraat-generaal Internationale Samenwerking van het ministerie van Buitenlandse Zaken), 12 februari 1975, pag. 39 e.v.

5 Zie hierover prof. O. Rademaker in: Economisch Statistische Berichten, pag. 136 e.v. 12 febr 1976 60 - 2989
6 Zie de voetnoten bij het artikel van Lindbeck.
7 Zie hierover prof. dr. J. de Hoogh: „Kan Moira Demeter van dienst zijn?", in: Intermediair, 7 mei 1976. pag. 1.
8 De redenering is gemakkelijk te doorzien als wij haar nabootsen met het volgende verhaaltje: ..Vanaf 1950 tot 1975 is het aantal vaatwasmachines in ons land met ongeveer een miljoen % toegenomen {in 1950 waren er zo goed als geen); toch is het aantal gewassen borden in die periode met niet meer dan 50% toegenomen. De volgende 50% méér bordenwas zal een nog grotere investering aan machines vergen".


 

Dit artikel verscheen tevens in het juli/augustus 1976 nummer van het tijdschrift ‘Politiek Perspectief’.
Ton Ahsmann
Ton Ahsmann was scheikundeleraar en is publicist.

.

———————————————————————————————————

Het „rapport van Rome", een kritische terugblik.

Nederlandse vertaling van het Rapport van de Club van RomeIn augustus 1971 werd het Nederlandse publiek voor het eerst ingelicht over de komende ondergang van de mensheid, zoals die was uitgerekend door de Amerikaanse professoren Forrester en Meadows van het Massachusetts Institute of Technology, samen met een reuzecomputer. De berichten hierover waren nogal vaag - het precieze van de rekenwijze en uitkomsten heeft nog heel lang op zich laten wachten - maar tegelijk heel stellig: binnen een jaar of dertig zou de mensheid, een overweldigende ramp overkomen als gevolg van vervuiling in conjunctie met het opraken van landbouwgrond, grondstoffen, energie en zoet water. Gesuggereerd werd dat de ramp wel zo’n beetje het einde betekende van de Westerse wereld, zo niet van de mensheid. Opmerkelijk genoeg waren er nogal wat mensen die al op de eerste vage berichten reageerden met een gretigheid alsof zij hier lang naar hadden uitgekeken. Het nieuws appelleerde kennelijk hevig aan reeds bestaande gevoelens van onvrede. Deze gretigheid van aanvaarding is ongeveer een half jaar later met meedogenloze scherpte te kijk gezet door een uniek - radicaal afwijzend - redactioneel artikel in The Economist(1), dat bekwaam op alle gevoelige tenen ging staan in een tijd dat het onheilsrapport, althans in Nederland, diepe indruk maakte. Dit artikel, hoewel in zijn tijd nogal pedant, moet achteraf gezien toch wel een prestatie genoemd worden; zóveel inzicht in de strijdvraag vertoonde het in een periode dat dit inzicht schaars was.

Nu eerst terug naar augustus 1971, toen er bij de eerste berichten onmiddellijk verschil van mening ontstond tussen hen die aan de vage berichten direct geloof schonken, en de ongelovigen. De strijd was ongelijk. De ongelovigen in ons land, zoals dr. Fred L. Polak, hadden eigenlijk maar één goed aansprekend argument om te oordelen dat het zo’n vaart wel niet zou lopen: de wetenschap dat de ondergang al vele, vele malen eerder was aangezegd, al sinds mensenheugenis. De meeste ongelovigen beseften dat je moeilijk een rapport kunt bestrijden dat je nog niet hebt kunnen bestuderen, en hielden hun mond. En zo hadden de onheilsprofeten lange tijd vrij spel. Prof. P. M. E. M. van der Grinten bereikte de publiciteit met enkele aanmerkingen op de door de Amerikanen gevolgde methode; maar deze betroffen vooral de gevoeligheid-van het wiskundige model en het werken met gemiddelden. Deze kritiek was weliswaar al ernstig genoeg, maar zij raakte niet aan de fundamentele ongerijmdheid van een onheilsvoorspelling als con­clusie van zichtbare beperkingen (2), en ook de verwerpelijkheid van de gebezigde soort van argumentatie ontsnapte aan de kritiek. Een sfeer van er-komen-grote-dingen werd opgebouwd uit de geestdrift van de gerede aanhangers en uit de spanning van het politieke avontuur. En natuurlijk ook uit de euforie van iedere prille partijvorming, de euforie van de Gideonsbende. Enkele gevestigde partijen en stromingen, vooral midden-links, verbonden hun identiteit op gewaagde wijze aan de filosofie van de „eindige aarde" (D’66, PPR, Mansholt]. Dit hielp een goede basis vormen binnen ons land, waarop uiteindelijk het eerste rapport van de Club van Rome waardig onder ons kon komen, zeven maanden later, in maart 1972. Het was ex ante onaantastbaar, een evangelie, voor sommigen zeker wel een blijde boodschap. In het bij intellectuelen zeer invloedrijke NRC-Handelsblad werd vanaf het begin eerbiedige aandacht geschonken aan de berichtgeving rondom, en voorafgaande aan de epiphanie van het rapport; daarnaast werd in de opiniesector van dit blad positief tot zeer krachtig pro.stelling genomen. Dat laatste, alleen al vóór de verschijningsdatum, in ongeveer dertig artikelen; in negatieve zin niet eenmaal. De NOS-TV maakte en vertoonde een suggestieve documentaire zonder enige zweem van voorbehoud of twijfel met betrekking tot bet rapport, en ook vrijwel de gehele Neder­landse pers volgde deze lijn min of meer.

Een haar in de soep
Zeven maanden lang, tot aan de publikatie, had de burger hiertegen uiteraard geen enkel verweer. Toen kwam het rapport als zakuitgave uit onder de titel „De grenzen aan de groei", en het raasde in een dusdanig tempo de boekwinkels uit, dat het ondanks de speciale lage prijs nog een winstgevende zaak werd. In een jaar tijd werden bijna een kwart miljoen exemplaren uitgebracht, zodat men wel kan zeggen dat de publiciteitsdruk van de voorstanders een doorslaand succes had opgeleverd.

Lezing van het rapport overtuigde de meeste twijfelaars en bracht de ongelovigen aan het wankelen. Het bleek overrompelend van over­redingskracht, goed leesbaar en… uiterst leep in elkaar gestoken; alleen scherp kritisch, vergelijkend en analyserend lezen onthulde dat het met gespleten tong sprak.

Zo spreekt het rapport enkele malen met groot vertoon van redelijkheid over de onvolledigheid van het wiskundig model en de onzekerheid die daaruit voortvloeit ten aanzien van de conclusie, maar evengoed wordt de lezer op talloze andere plaatsen krachtig geprest tot die zelfde conclusie, nl. dat de groei van wereldbevolking en wereldeconomie onverwijld en drastisch moet wor­den afgeremd. Het gevolg was dat men de voorstanders het ene ogenblik kon horen aanvoeren, dat men de conclusie van het rapport wel moest aanvaarden omdat het zo betrouwbaar was, en het andere ogenblik, dat het zo betrouwbaar was omdat het zijn eigen onzekerheid zo eerlijk erkende.

Zoiets kan natuurlijk niet; een dergelijke wisseltruc-techniek, inge­bouwd in het rapport, maakt dit kwetsbaar voor een ernstige beschul­diging van tendentieuze opzet. Bij iedere beschuldiging geldt, dat men niet in de ziel van de beschuldigde kan kijken. Dit verhindert echter niet, dat men met alle verschuldigde respect aan de persoon, toch van de daad mag stellen - mits op goede gronden - dat deze daad vol­strekt onverklaarbaar is, tenzij bij aanname van verwerpelijke motieven. Wij zullen daarom deze beschuldiging met nog een aantal argumenten ondersteunen. Het gaat er om de ogen te openen van diegenen die, geïmponeerd door de wetenschappelijke entourage van het rapport en het wetenschappelijk air dat de auteurs aannemen, nog steeds geloven dat er toch wel iets van waar moet zijn. Zij kunnen niet begrijpen hoe zoiets anders gepubliceerd had kunnen worden. Dat is ook niet te be­grijpen, tenzij men de mogelijkheid onder ogen ziet van bewuste mis­leiding; met andere woorden ons is een rad voor ogen gedraaid!

Al te gek Vertoon van redelijkheid, ten einde een onredelijke conclusie door te drukken, speelt in het rapport herhaaldelijk een grote rol. In hoofdstuk II, in de paragraaf onder het hoofd „Voedsel" (3), wordt eerst betoogd dat de agrarische voedselproduktie dicht bij de grens van het mogelijke ligt, en daarna wordt de mogelijkheid van synthetische voedselpro­duktie afgedaan met de opmerking, dat deze alsnog in hoofdstuk IV zal worden behandeld (hetgeen niet gebeurt) en dat een dergelijke technologische innovatie in ieder geval een zware belasting voor de wereldeconomie zal betekenen. Na deze rustige, zeer redelijk lijkende voorlopige afhandeling wordt de genoemde mogelijkheid verder ook rustig genegeerd.

Op krasse, ja goedkope wijze wordt deze overredingstactiek gehan­teerd met betrekking tot de grondstoffen. Het vertoon van grote rede­lijkheid neemt hier de vorm aan van de kunst van de marktkoopman, die de prijs veel te hoog inzet en dan door een reeks verlagingen de toehoorder suggereert dat deze een koopje kan weghalen. Het eerste „bod" van Meadows is een tabel van zgn. bekende voorraden van grond- en hulpstoffen. Dit is een bedrieglijke argumentatie. De grootte van de bekende voorraden houdt geen enkel verband met de absolute overvloedigheid, maar is een functie van de exploratie-activiteit en dus van de reële behoeften en enkele externe, zoals politieke factoren. Deze cijfers horen hier niet thuis; Meadows evenwel maakt er doelbewust gebruik van als achtergrond van zijn concessies: hij neemt voor de computer aan dat er in 1970 een voorraad is, gelijk aan 250 maal het jaarverbruik en zegt (eind hfdst. III): „De kolom voor de statische indexreserve uit hfdst. II laat zien dat dit inderdaad een optimistische aanname is". Dit is onaanvaardbaar; de kolom bewijst niets en Meadows c.s. moeten dit geweten hebben. Het behoort tot het ABC van de grondstoffen-economie.

Wij zijn er nog niet. Aan Meadow’s redelijkheid zijn geen grenzen. Hij wil zelfs „nóg optimistischer zijn en aannemen, dat nieuwe ontdek­kingen en technologische vorderingen de economisch beschikbare hoe­veelheden grond- en hulpstoffen kunnen verdubbelen". Het resultaat is nog steeds een sombere toekomst. En nog is Meadows’ toegeeflijk­heid niet uitgeput: hij wil nu zelfs aanemen dat het verbruik van minerale grondstoffen nog eens met de helft kan worden teruggebracht, een veronderstelling die hij (al zegt hij ‘t zelf) „uiteraard meer optimistisch dan realistisch" noemt (hfdst. III) en later „zelfs de meest optimistische schatting" (hfdst. IV). Omwille van de toetsing kunnen wij de laatste concessie gelijk stelten aan een verviervoudiging van de eerste aan­name, dus met een aanname van een grondstoffenreserve van 1000 maal het huidige jaarverbruik.
Hier zwicht de laatste weifelaar en koopt hij… een kat in de zak. Lindbeck (4), Herman Kahn, Herrera (5), Beckerman (6), Nordhaus (6) en anderen hebben er op gewezen dat 1 tot 100 miljoen maal het huidige jaarverbruik dichter bij de waarheid ligt, en Meadows is met zijn „optimistische" schatting dus nog altijd minstens een 1000 maal te laag. Maar een op dit gebied ondeskundige lezer raakt wel onder de indruk.

Ook op het gebied van de potentiële voedselproduktie prijst Meadows zijn eigen standpunt aan als optimistisch.»Hij wil aannemen (hfdst. IV) dat rond het jaar 2000 de technologie de voedselproduktie „opdrijft tot de onvoorstelbare hoogte" van vier maal de huidige. Met deze herculische inspanning is zijn voorstellingsvermogen dan echter wel uitgeput. Anderzijds is bekend, dat prof. H. Linnemann uit Amsterdam een uitge­breide studie heeft geleid (ook voor de Club van Rome) die vorig jaar is afgesloten (7). Een van de conclusies hiervan luidde, dat reeds nu en niet eerst in het jaar 2000, met de methoden van nu, de potentiële voedseiproduktie van de aarde 25 maal de huidige produktie is. Het verschil is wel erg groot.

Onheil tegen elke prijs Bij het verwerken van de zojuist beschreven ongerijmdheden heeft de kritische lezer van het rapport meer en meer het gevoel gekregen, dat Meadows er eigenlijk wel veel aan gelegen moet zijn geweest onheil te kunnen voorspellen. Dit gevoel krijgt verder voedsel door een groot aantal vrijheden die Meadows zich, wetenschappelijk gezien, veroor­looft, zoals zijn aanname aangaande de onvermijdelijkeheid van erosie en van toenemende vervuiling, en de aanname van ondraaglijke kosten van innovatie op het gebied van voedselproduktie, milieubescherming en grondstoffenwinning. Deze en soortgelijke aannamen zijn buitenge­woon gratuit en in het geheel niet in overeenstemming met historische tendensen. Maar zij zijn allemaal zo in het pessimistische gekozen, dat men ook hier niet aan de indruk ontkomt dat zij moeten helpen om er een zo overtuigend mogelijke catastrofe uit te persen. Wat betreft de toenemende kosten in de landbouw heeft het wetenschappelijk team van auteurs een ongelooflijk vreemde flater geslagen in een redenering in hoofdstuk II aan het eind van de paragraaf „Voedsel". Ook deze non-redenering helpt mee een somber beeld te scheppen (8). Door dit alles een stuk wijzer geworden kan men ook de resterende delen van het rapport niet meer zonder achterdocht lezen, waarbij men ontdekt dat het zwaartepunt van het twijfelachtige pleidooi gelegen is in hoofdstuk IV. Hier worden de volgens Meadows gevaarlijkste tegen­standers, de „technologische optimisten", aan de kant gezet in een voze filippica, buitengewoon knap opgebouwd uit hele en halve on­waarheden en effectvolle sfeerelementen. Zij culmineert in een valse probleemstelling. Wij zullen dit laatste niet laten gelden als bewijs van kwade trouw; het is tenslotte mogelijk dat die valse probleemstelling inderdaad het beste is waartoe de schrijvers in staat waren. Maar de knappe aanzet ertoe levert stellig mede een verklaring voor de overredingskracht van het rapport. De climax wordt ingeleid door de verzekeringen dat: a. de ,,meest optimistische" vooronderstellingen de computer niet konden afhouden van de onheilsvoorspelling; b. technologische oplossingen altijd neveneffecten met zich meebrengen (dus pas op hoor!); c. dat het einde van de groei toch komt, want voor sommige problemen is er geen fysieke (technologische) oplossing, omdat zij niet van fysieke maar van sociaal-politieke aard zijn, zoals de honger in de „derde wereld"; d. dit sociaal-politieke probleem is eigenlijk tóch van fysieke aard; de honger is weliswaar het gevolg van sociaal-politieke belemmeringen, maar als de aarde nóg groter was… enz. (Wéér die wisseltruc: het is een „eindige-aarde-probleem omdat het fysiek is, en het is onoplosbaar omdat het toch weer niet fysiek is). Dan komt de stelling dat technische groei uiteindelijk alleen maar deugt om de uitputting van de aarde tot steeds grotere hoogten te vervolmaken. De argeloze lezer, al ten zeerste ontmoedigd door de punten a t/m d, durft van deze stelling geen bewijs meer"te verlangen, te meer daar zij wordt geïllustreerd met het aangrijpende verhaal van de uitroeiing van de sympathieke walvissen. Maar met dat al is de stelling nog steeds zonder bewijs, en bovendien is deze stelling nu juist datgene waarvoor het hele rapport geschreven is; het bewijs van het rapport berust dus in zekere zin op het poneren op lager niveau van de te bewijzen stelling.

De „eindige aarde" - een misvatting Het rapport sluit het walvissenverhaal dan af met de hierboven reeds aangeduide valse probleemstelling: „Is het beter om te proberen binnen die grenzen te leven door een zelf ingestelde rem op de groei te accep­teren? Of verdient het de voorkeur door te gaan tot een of andere natuurlijke grens ontstaat, met de hoop dat dan een nieuwe technolo­gische sprong het ons wel mogelijk zal maken de groei voort te zetten?" (En heb het lef eens, dat je niet het eerste kiest!). Nu in het voorafgaande al op voldoende gronden twijfel is uitgesproken aangaande de wetenschappelijke integriteit van de auteurs van het rapport, is het verder niet nodig of gewenst aan te nemen dat de zojuist geciteerde probleemstelling bewuste misleiding beoogt. Maar misleidend is zij wel. De bestaanssituatie van de mensheid is immers mét de technisch-economische groei niet verslechterd maar ver­beterd. Meadows stelt het zo voor alsof de ontwikkeling zou zijn te kenschetsen als: opmaken wat je vindt, en dan zien we wel weer verder; een roekeloos groeien naar een botsing met de grenzen. De werkelijk­heid is, dat de mensheid in steeds sneller tempo haar voorraden en andere vrijheden ziet groeien door haar technisch-economische vooruitgang. Meadows’ bewering dat landbouwgrond vroeger in overweldigende" overvloed beschikbaar was en thans krap berust op de definitie van potentiële landbouwgrond vanuit ónze technisch-economische mogelijkheden en is dus niet zinvol. Veel grond die wij vruchtbaar kunnen maken, was dat voor onze voor­ouders allerminst. Welke grond potentiële landbouwgrond is en in welke mate (vruchtbaar of marginaal), berust op de technisch-economische ontwikkeiingsgraad. Hetzelfde geldt voor het begrip grondstof. Bauxiet was vroeger geen grondstof. Maar hoe hoger de ontwikkeling, hoe meer ruwe materie tot de status van grondstof komt en hoe waardevoller de voor de mens bereikbare materie wordt.

Grond- en hulpstoffen en bouwland worden dus geschapen door de technisch-economische groei. Zou men deze afremmen om bijvoorbeeld grondstoffen te sparen, dan spant men daarmee het paard achter de wagen. Dat het substraat, de aardbol, eindig is, heeft ongeveer even weinig betekenis als het feit dat er in het tientallig stelsel maar tien enkelvoudige ge­tallen zijn, in het alfabet maar 26 letters en in de chromatische toon­ladder maar twaalf tonen. Niemand komt op het idee daarom te stellen dat de taal, de muziek en de rekenkunde eindig zijn en dat wij alleen door onszelf hierin te beperken kunnen verzekeren dat er voor ons nageslacht nog wat te componeren overblijft. De „eindige aarde"-filosofie is niet alleen maar hinderlijk in een tijd van dreigende econo­mische crisis, zij berust eenvoudig op begripsverwarring. (Ton Ahsmann)
Ik was 13 en kocht Het „rapport van Rome” van mijn zakgeld. In het voorwoord werd Oe Thant geciteerd, de SG van de VN, die de mensheid in 1969 nog een jaar of 10 gaf. Ik ben nu 51 en heb geleerd: wat wij doen en laten is belangrijker dan wat er is of wat we aantreffen. Een factor die door Meadows gemakshalve werd genegeerd. Ik ben bij de les gebleven. Alles is eindig, maar de voorraad toekomst is immens…
ik mis toch wel en beetje de feiten. wat werd er voorspeld en wat is nu na 35 jaar de situatie. hieruit kan ik niet siteren in de ALV van mijn plaatselijke poltieke partij.

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.

Zwartgallige milieucartoons uit 1977

Bij een verhaal uit de jaren 70 horen afbeeldingen uit die tijd: bijgaand 20 cartoons van een internationale expositie die de VN in 1977 in Athene organiseerde: het is zwartgalligheid troef, ook in de jaren 70 gingen we al ten onder. Klik op de ‘thumbnails’ voor de hele plaat. 1: Stojan Hristov1: Stojan Hristov2: Margarita Sheytanova2: Margarita Sheytanova3: Ludmil Dimitrov3: Ludmil Dimitrov4: Marin Marinoff4: Marin Marinoff5: Orge Mtanios Iskandar Arbach5: Orge Mtanios Iskandar Arbach6: Daniel Azulay6: Daniel Azulay7: Flavio Migliaccio7: Flavio Migliaccio8: Jeff Hook, Australia8: Jeff Hook, Australia9: Nikos Sideris, Austria9: Nikos Sideris, Austria10: Jos Verhulst, belgië10: Jos Verhulst, belgië11: Ludmil Dimitrov11: Ludmil Dimitrov12: Luiz Antonio de Silva Pirez Lapi12: Luiz Antonio de Silva Pirez Lapi13: Jos Geboes13: Jos Geboes14: Nicolas Pecareff14: Nicolas Pecareff15: Ratcho Ratchev15: Ratcho Ratchev16: Valeri Pavlov16: Valeri Pavlov17: Gentscho Simenov17: Gentscho Simenov18: Orge Mtanios Iskandar Arbach18: Orge Mtanios Iskandar Arbach19: Valentin Balev19: Valentin Balev20: Jan van der Punt20: Jan van der Punt

(We’ve assumed that these cartoons are free of copyright. Authors who disagree with this are asked to contact us at theo {at} richel.org )