———————————————————————————————————

De Waddenzee en De Wet van Beijerinck: 'Alles is overal maar het milieu selecteert'

Het milieu van de Waddenzee heeft de afgelopen 80 jaar drie grote veranderingen doorgemaakt. De eerste was de afsluiting van de Zuiderzee in 1932, de tweede de forse toevoer van voedselrijk water vanaf de jaren 60 en tenslotte het weer stoppen van die voedselstroom vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw. Ter gelegenheid van het gereedkomen van de Afsluitdijk werd ook vissersvereniging Ons Belang opgericht en die vierde onlangs zijn 80e verjaardag. Visserij bioloog Dolf Boddeke hield er een spreekbeurt over de recente geschiedenis van het Waddenmilieu. Zo’n kwart eeuw kon de rijkdom in de Waddenzee niet op, zowel voor de natuurliefhebber als voor de visserij, maar inmiddels zijn de Wadden zijn weer net zo arm als voor de jaren 60. Alleen de garnalenvisserij heeft nog toekomst, meent Boddeke. 

De oprichting van Visserijvereniging Ons Belang, waarvan wij vandaag het 80 jarig bestaan feestelijk herdenken, viel samen met de voltooiing van de Afsluitdijk. Geen toeval, want voor de Harlinger visserij veranderde er toen veel. Om te beginnen de naam van het Harlinger visgebied. Dat heette voordien officieel “het Westelijk deel van de Zuiderzee”. Het werd de Westelijke Waddenzee. In de Waddenzee hebben in de afgelopen 80 jaar drie belangrijke milieuveranderingern plaatsgevonden en de aanleg van de Afsluitdijk was daarvan de eerste. Ten westen van de dijk nam het tijverschil aanzienlijk toe, door het wegvallen van de komberging van de Zuiderzee. Ook het stroompatroon veranderde, de Vlieter bijvoorbeeld werd van een centrale getijader van de Zuiderzee  een doodlopend geultje.

 

Dr Dolf Boddeke
Door dr Dolf Boddeke

En er kwam een scherpe scheiding van zoet en zout water. Dat was heel belangrijk voor de bestrijding van de malaria. Malaria, die wij nu beschouwen als een tropische ziekte, kwam vóór 1932 veel voor langs de Zuiderzee en de Waddenzee. De larven van de malariamug leven in zwak brak water en brak water werd door de verzoeting van het IJsselmeer veel zeldzamer. Toch werd de malariabestrijding nog een taai gevecht. Pas in 1959 was het met de inlandse malaria in Nederland definitief afgelopen.

Waarmee het direct na 1932 was afgelopen, waren de uitgestrekte zeegrasvelden die vóór 1932 direct ten westen van het traject de Afsluitdijk lagen. Zeegrassen zijn uitermate kieskeurig wat betreft hun milieu en de grote veranderingen veroorzaakt door de constructie van de Afsluitdijk, waren het zeegras te machtig.

We leven in Nederland tegenwoordig in de waan van de maakbare natuur. En van tijd tot tijd worden er pogingen gedaan door planten en zaaien weer zeegrasvelden in het Nederlandse deel van de Waddenzee terug te brengen.

Dit streven is echter in strijd met de Wet van Beijerinck die over flora en fauna stelt: Alles is overal maar het milieu selecteert. Wie een leven lang biologisch onderzoek doet, wordt steeds weer geconfronteerd met de verbluffende juistheid van deze wet. Geen wonder. Want Martinus Bijerinck was een formidabele geleerde, minstens zo groot en belangrijk als de Fransman Louis Pasteur en de Engelsman Charles Darwin. Die twee onderzoekers kent u natuurlijk. Maar Beijerinck was een Nederlander en is dus volkomen vergeten. (Klik hier voor meer over Beijerinck).

Martinus Beijerinck
Martinus Beijerinck

Met de zeegrasvelden verdwenen de zeestekelbaars en de trompetterzeenaald, visjes van rustig, ondiep, water. Tussen de zeegrasvelden was dit biotoop ruim voorhanden. Maar de ansjovis, wiens paaigebied door de Afsluitdijk werd doorsneden, bleef aan de zeekant paaien. Al werd de populatie kleiner, de visserij op ansjovis ging gewoon door.

De Zuiderzeeharing die op de Knar vóór Harderwijk paaide en zeer belangrijk voor de visserij was, verdween. Een schamel restant van de Zuiderzee haring bleef langs de Afsluitdijk paaien maar aan die piepkleine populatie had de visserij weinig of niets. De garnaal verloor vooral een groot kinderkamergebied maar kon dat wel missen. De Zuiderzee bot, voor de 2e wereldoorlog zeer geliefd en toen bijna net zo duur als tong, bleef onder die naam gewoon op de markt, al werd hij niet meer gevangen in het westelijke deel van de Zuiderzee maar in de westelijke Waddenzee.   

Toen ik in 1959 begon met onderzoek naar de biologie van de garnaal en problemen van de garnalenvisserij, was de westelijke Waddenzee een helder zeegebied met een zandige bodem, gedomineerd door garnaal en grote scharren, die jacht maakten op de garnalen. Mosselen en kokkels waren er mondjesmaat. Sprietige roodwieren waren kenmerkend voor het betrekkelijk voedselarme milieu. De garnalenvisserij voerde in die tijd nog grote hoeveelheden pufgarnalen aan.

Vooral naar het oosten toe waren in de Waddenzee in 1959 uitgestrekte mosselbanken die met laagwater droogvielen. De grootste daarvan had in 1954 een oppervlak van niet minder dan 300 ha.

Een tweede grote milieuomslag kwam er in 1959 al aan, de stijgende afvoer van nutriënten oftewel voedingsstoffen, nitraat en fosfaat vanuit het zoete water, de zogenaamde eutrofiëring. Deze begon met nitraat eind 50er jaren maar het effect was beperkt. Pas toen in de jaren 60 door het stijgen van de fosfaatafvoer de zogenaamde nutrientenbalans meer in evenwicht kwam, steeg de natuurlijke productie van de Waddenzee enorm en daarmee de natuurwaarde.

 Want de natuurwaarde van een gebied als de Waddenzee wordt niet zozeer bepaald door de biodiversiteit waarmee vaak wordt geschermd (dat is vooral van belang bijvoorbeeld bij koraalriffen) , maar door de natuurlijke productie. En de circa 5 voudige verhoging van de natuurlijke productie tussen 1960 en 1980, maakte vooral de Westelijke Waddenzee volslagen uniek in de wereld. De Waddenzee was toen de status van Werelderfgoed waardig als een enorme bron van voedsel voor vissen, vogels en zeehonden en een solide basis voor een bloeiende visserijsector

Mossel- en kokkelbestanden namen geweldig toe. Omdat mosselen veel instabiel slik vastleggen werd de Waddenzee troebeler vooral bij harde wind. waardoor soorten van helder water, zoals schar en ansjovis achteruitgingen. De Waddenzee werd een belangrijk kinderkamergebied voor jonge schol en tong, die geen garnalen eten maar wormen. Om die te pakken te krijgen is helder water niet nodig. Ook kwam er een fikse stand van paling. Aan de belangrijkste eis van de paling aan zijn leefmilieu: er moet veel te eten zijn werd toen ruimschoots voldaan. De roodwieren gingen achteruit maar vooral op de mosselbanken groeiden reusachtige hoeveelheden zeesla, een wier dat kenmerkend is voor voedselrijk zeewater. Zeesla kan erg hinderlijk zijn voor de garnalenvisserij vooral in de zomer omdat de groene lappen het net verstoppen. Afgezien van de zeesla waren de veranderingen in de Waddenzee voor de garnaal en de garnalenvisserij minder belangrijk dan die in het kustwater. Wat de biodiversiteit betreft, veranderde er weinig of niets. Sommige algemene soorten gingen achteruit en andere vooruit.

 Voor de Nederlandse kust en in de Zuidelijke Noordzee ontwikkelde zich na 1962 een reusachtige kabeljauwpopulatie die daar paaide en opgroeide en ook de wijtingstand nam sterk toe. De volwassen garnalen die in herfst en winter uit de Waddenzee naar zee trokken, werden buiten de zeegaten door wijting en kabeljauw massaal verslonden. Wijfjesgarnalen dragen de eieren mee tot het uitkomen en in de winter duurt de draagtijd 3 maanden. Heel weinig volwassen eidragende garnalen overleefden toen de winter.

Dat bleek in het voorjaar van 1972 toen ik een dag meeging garnalenvissen met Jochem Terpstra. Wij vingen die dag 13 kilo consumptiegarnaal ! Maar zo slecht was het niet het hele jaar. Jonge garnalen overwinterden in de Waddenzee waar wijting en kabeljauw veel minder huishielden. Deze jonge garnalen groeiden snel, zorgden in de rest van het jaar voor hogere vangsten en, dankzij een behoorlijke voortplanting was de stand in de herfst weer aardig op peil. De garnaal is dankzij drie voortplantingsgolven per jaar, verandering van mannetjes in wijfjes en snelle groei, niet klein te krijgen. En dat gold ook voor de garnalenvissers. De grotere garnalenkotters gingen langs de kust op rondvis vissen en voor de kleinere ging de wijsheid van Lieuwe Veltman: De garnalenvisser leeft van schrale aanvoer en hoge prijzen, toen volledig op.

Bij de mossel deed zich iets merkwaardigs voor. In de strenge winter 1962-1963 verdwenen de uitgestrekte mosselbanken op de getijplaten volledig door ijsgang en getijbeweging . Na 1963 breidden de mosselen zich enorm uit in de Waddenzee, maar die toename bleef beperkt tot de diepere gedeelten, beneden de laagwaterlijn. Op veel van mijn vaste monsterpunten bij het garnalenonderzoek, verschenen mosselbanken die het garnalenvissen onmogelijk maakten. De ouderen onder u zullen dezelfde ervaring hebben opgedaan. Maar op droogvallende platen was geen herstel van de mosselbanken.

Er was in de Waddenzee rond de mosselen een nieuwe belangrijke speler naar voren gekomen, de scholekster. Scholeksters zijn dol op mosselen en wrikken de schelp handig open met hun snavel. De scholekster, oorspronkelijk een kustvogel, had in de jaren 50-70 geweldig geprofiteerd van de bemesting van weidevelden en akkers en geheel Nederland veroverd, al hield hij een voorkeur voor de gebieden rond de Waddenzee. In de periode 1966-1984 kwamen over het jaar gemiddeld 145.000 scholeksters in de Waddenzee voor die per jaar 40.000 ton mosselen en kokkels consumeerden. Ieder beginnend herstel van mosselbanken op de platen werd dan ook door de hordes scholeksters in de kiem gesmoord.

Het gaat tegenwoordig niet goed met de scholeksters in Nederland, de ontstellende verarming van de Waddenzee en de veranderingen in de veeteelt gaat niet aan ze voorbij. Maar het zijn slimme, vindingrijke vogels die zich niet gauw uit het veld laten slaan. Als ze op moderne weilanden, barstensvol koeien niet kunnen broeden zitten ze op aangrenzende spoorlijnen tussen de rails op de eieren. Het zijn grote voorstanders van openbaar vervoer. In het kader van de maakbare natuur worden om de zoveel jaren ook pogingen gedaan om ten koste van vele miljoenen euro’s, mosselbanken kunstmatig aan te leggen. Gelukkig zijn er nog steeds voldoende scholeksters om dit streven afdoende te dwarsbomen en ik hoop dat dit zo blijft.

Aan de enorme productiviteit van de Waddenzee kwam aan het eind van de jaren 80 van de vorige weer een eind, de derde milieuomslag in de Waddenzee in de afgelopen 80 jaar . Samen met mijn collega-chemicus Paul Hagel ging ik in 1989 de 3 tot 5-voudig toegenomen productiviteit van het kustwater en de sterk gestegen vangsten van de visserij, grondig analyseren. We kwamen toen tot een schokkende ontdekking: aan de drijvende factor, de vijfvoudige stijging van de afvoer van opgelost fosfaat naar de kustzone was inmiddels in een klein aantal jaren een einde gekomen. Onze prognose voor de toekomst van de Nederlandse visserij was dan ook somber: het bedrijf zou qua aanvoer terugvallen op een situatie vergelijkbaar met die van vóór 1960. Die prognose werd door het bedrijf met ongeloof begroet maar is helaas nauwkeurig uitgekomen.

 De gehele rondvisvloot, die ontstond in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw, op het hoogte punt meer dan 100 schepen, is weer verdwenen, de platvisserij voert nog maar een fractie aan van de aanvoer rond 1980, de mechanische kokkelvisserij is verboden en de mosselsector importeert het overgrote deel van de mosselen uit het buitenland. Ook vogelsoorten die sterk geprofiteerd hadden van de natuurlijke productieverhoging zoals de eidereend hebben een enorme klap gekregen. Rond 1985 overwinterden 100.000 tot 200.000 eidereenden in de Westelijke Waddenzee. In die periode voer ik in de winter met het onderzoekingsschip de Stern door het Scheurrak. Het was mistig en laagwater en schipper Kees de Rooy voer voorzichtig op de radar. In het Scheurrak lagen uitgestrekte velden eidereenden mannetje aan mannetje. Zij vlogen op bij nadering van de Stern en verduisterden het radarscherm volledig. Kees schold op mij, als vogelliefhebber, ‘Die roteenden van jou, Boddeke!’. Zo’n belevenis is in de Waddenzee van nu helaas niet meer voor te stellen.

In dit overzicht van niet opwekkende ontwikkelingen ontbreekt de voor u zo belangrijke garnaal.Om plezierige redenen. Garnalen kunnen heel goed overleven in het huidige zo zeer verarmde milieu van de Waddenzee omdat ook grotere garnalen zich goed kunnen voeden met zeer kleine voedelorganismen. Dit gaat echter ten koste van de groeisnelheid. De garnalen groeien in de Waddenzee nu veel langzamer dan 25 jaar geleden. Ik ben daarvan geschrokken toen ik vorig jaar meevoer met de TX 10 op de Texelstroom. Maar in het kustwater zijn kabeljauw en wijting vrijwel verdwenen en dus kunnen de garnalen daar heden ten dage ongestoord verder groeien. Om grote garnalen te vangen moet u dus wat meer naar buiten dan vroeger, maar dat hoef ik u niet te vertellen. Garnalen zijn er nog genoeg en dat zal altijd zo blijven.

Belangrijk voor de toekomst van het garnalenbedrijf zijn de pelmachines waaraan tientallen jaren met bewonderenswaardige volharding is gewerkt. Gezien de meest recente ontwikkelingen waarvan ik het een en ander heb gezien, heb ik goede hoop op een algehele doorbraak binnen niet al te lange tijd. Dat is uitstekend voor de afzet van garnalen en er komt dan meer evenwicht in de relatie tussen aanvoer en handel die de laatste jaren wel erg in het voordeel van de handel was verschoven. Bij mechanisch pellen wordt de afgenomen groeisnelheid van de garnalen een voordeel. Want slecht groeiende of vrijwel uitgegroeide garnalen, voor handpellers een nachtmerrie, zijn mechanisch juist uitstekend te pellen.

De toekomst ziet er voor de garnalenvisserij dus niet slecht uit. Ik wil eindigen met u een behouden vaart en een voorspoedige visserij toe te wensen. Moge het “Ons Belang” en u allen goed gaan. 

Een boeiend verhaal, gebaseerd op een schat aan ervaring en wetenschappelijk werk. Eén punt ter aanvulling: er is nog een grote verandering aan te wijzen in het milieu van kust en wadden: het feit dat de kustbeheerders vanaf 1990 via het zandsuppletieprogramma op bijzonder grote schaal zijn gaan ingrijpen in de zandhuishouding van de kust. Ik ben benieuwd hoe Boddeke de gevolgen van die verandering in zijn verhaal kan verweven.

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.