———————————————————————————————————

Een printervriendelijke versie van dit verhaal (12 pagina’s a4, geen illustraties) staat hier.

Inleiding

Duurzaamheid is het grote thema van deze tijd. Alles en iedereen is er op de een of andere manier mee bezig. De grote wereldwijde aandacht van de laatste jaren voor het ‘wereld klimaat probleem’ heeft het gevoel van urgentie rondom ‘duurzaamheid’ nog eens flink opgevoerd. Wereldwijd worden vergaande maatregelen voorbereid - en deels ook echt ingevoerd - om de vermeende atmosferische opwarming te beteugelen. Tegelijkertijd echter komt er ook een tegenbeweging op gang van wetenschappers en wetenschappelijk geïnteresseerden die fundamentele vragen stellen en de vinger leggen op onjuistheden, onwaarheden en belangen­verstrengelingen. Het duurzaamheidsthema blijft bij deze debatten goeddeels onaangetast, de ‘turbocharger’: ‘global warming’ verliest echter snel aan geloofwaardigheid.

In het onderstaande licht ik toe om welke redenen ik het duurzaamheidsdenken geen warm hart toedraag.

 

De klimaathype loopt op zijn einde[i] [ii]

De VN staat aan onze kant - Dan moet het waar zijnT

ot enkele jaren geleden bestond er in de publieke opinie een bijna algemene acceptatie van het verschijnsel ‘catastrophic antropogenic global warming, ‘CAGW’.

De global warming campagne

Door menselijke industriële activiteiten wordt sinds de industriële revolutie enorm veel CO2 de lucht in geblazen, waardoor de CO2 concentratie in de lucht is toegenomen. CO2 is één van de ‘broeikasgassen’ in de atmosfeer, zij houden als een soort deken de warmte (infrarood) vast die de aarde uitstraalt door bestraling door de zon. Doordat er meer CO2 is gekomen is die deken als het ware dikker geworden en loopt de temperatuur op. Als dat zo door blijft gaan kan de gemiddelde temperatuur op aarde in de komende decennia zo ver oplopen dat de poolkappen gaan smelten, de zeespiegel gaat stijgen en klimaatzones gaan verschuiven met rampzalige gevolgen. Eind jaren ‘80 is gestart met het bewustmaken van het grote publiek van deze risico’s. Het hoogtepunt was in 2006 met de film ‘An inconvenient truth’ van Al Gore. Deze film/presentatie laat met allerlei grafieken en wetenschappelijke onderbouwing zien hoe urgent het opwarmingsprobleem is. De film won een Oscar en Al Gore en het ‘intergovernmental panel for climate change, IPCC’, een soort onderzoeks­commissie van de Verenigde Naties, wonnen in 2007 de Nobelprijs voor de vrede. Over de hele westerse wereld werd en wordt deze film vertoond. De grote dreiging van ‘global warming’ door menselijke CO2 produktie wordt overal op scholen gedoceerd.

Om de gevreesde opwarming door CO2 te vermijden worden er wereldwijd programma’s opgezet om de menselijke CO2 uitstoot te verminderen en worden bomen geplant die CO2 opnemen. De belangrijkste bijdrage aan de menselijke productie van CO2 is gelegen in de verbranding van koolwater­stoffen (hout, steenkool, olie, gas). Nagenoeg alle menselijke activiteiten leveren CO2 op. Het structureel beperken van CO2 productie heeft dus enorme gevolgen voor de maatschappij. Voor westerse landen betekent dit een sterke matiging van energiegebruik en een dure omschakeling naar niet-CO2-producerende-energie, zoals windmolens. Voor ontwikkelingslanden betekent dit dat zij zich niet zonder meer kunnen ontwikkelen zoals de westerse landen hebben gedaan.

In diverse internationale conferenties is getracht afspraken te maken over de beperking van CO2 productie. Ontwikkelingslanden willen economisch kunnen groeien en verlangen dus een voorlopige vrijstelling van de CO2-beperkingsafspraken òf een financiële compensatie van de westerse wereld. Deze onderhandelingen verlopen uiterst moeizaam. Met een zeer forse reductie van menselijke CO2 productie zijn astronomische kosten gemoeid.

Alle internationale conferenties ten spijt is de groei van de menselijke CO2 productie in de afgelopen 20 jaar onverminderd doorgegaan. Dit geldt evenzeer voor de stijging van de CO2 concentratie in de atmosfeer.

In de hele wereld hebben onderzoeksinstituten en het bedrijfsleven zich gestort op het CO2 probleem. Er is een hele industrietak ontstaan die zich richt op het bieden van - en adviseren over - CO2-neutrale oplossingen, het verzorgen van voorlichting aan publiek en het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Een groot deel van deze activiteiten wordt door overheden gesubsidieerd, aangezien het trachten te bereiken van een reductie in CO2 een nationale en internationale prioriteit is geworden.

Sceptische geluiden

Parallel aan al het alarm zijn er ook een sceptisch geluiden te horen. Al vanaf de jaren ‘80 zijn er wetenschappers die aan de wetenschappelijke onderbouwing van CAGW twijfelen. Deze geluiden dringen echter nauwelijks door. Pas met de komst van het internet in de jaren ‘90 komt hiervoor een platform. De ‘mainstream’ wetenschappers en beleidsmakers gaan echter niet op de inhoudelijke bezwaren van sceptici in. Mensen die niet geloven in CAGW worden weggezet als ‘flat earthers’ en ‘deniers’ en moeten veelal voor hun carrière vrezen.

In de laatste jaren zwelt het sceptisch geluid echter zo sterk aan dat het ook steeds meer de gangbare media haalt. De belangrijkste argumenten van de sceptici zijn:

- De correlatie tussen CO2 concentratie en temperatuur in de laatste 150 jaar is niet overtuigend: op dit moment stijgt de CO2 concentratie maar de opwarming is al meer dan 10 jaar zo goed als afwezig en ook in het recente verleden hebben we lange perioden van stabiliteit of zelfs daling van temperatuur gezien (ca. 1940 - 1970) terwijl de CO2 concentratie doorsteeg.

- Over een langere tijdsperiode gemeten (honderduizenden jaren) kunnen we uit ijskernen herleiden dat hogere CO2 concentraties volgend waren op hogere temperaturen in plaats van andersom.

- De CO2 concentratie in de lucht is nog steeds zeer laag (gestegen van ca. 0,03% naar 0,04% in ca. 100 jaar), waterdamp zorgt voor 90% van het broeikaseffect.

- CO2 is van levensbelang voor planten, een stijging van de (zeer lage) CO2 concentratie werkt ‘vergroenend’.

- Voor zover we kunnen nagaan hebben er in het zeer verre verleden aanzienlijk hogere concentraties van CO2 bestaan (tot 20 X zo hoog) zonder dat dit met enorme hitte gepaard ging.

- De temperatuurgegevens van voor het satelliettijdperk (1979) zijn onbetrouwbaar en waarschijnlijk sterk beïnvloed door urbanisatie, waardoor een vals beeld van verwarming gemeten wordt. De geclaimde verhoging van ca. 0,7 graden in 150 jaar is verwaarloosbaar en schijnnauwkeurig.

- De temperatuurmeetreeksen uit het verleden worden door de officiële verzamelaars (NOAA, CRU) statistisch bewerkt en selectief gebruikt waardoor een vals opwarmingsbeeld wordt gecreëerd. Hier zijn vele voorbeelden van.[iii]

- De alarmistische projecties en voorspellingen uit de jaren ‘80 en ‘90 worden in de praktijk van vandaag niet waargenomen.

- De temperatuurreconstructies die 1000 jaar of meer terug gaan zijn uiterst discutabel, de reconstructie die Al Gore in zijn film laat zien met ca 1000 jaar stabiliteit en een plotselinge stijging in de laatste decennia is aantoonbaar onjuist, zowel qua metingen als qua statistische verwerking. De best beschikbare reconstructies[iv] laten zien dat het in de laatste 2.000 jaar zowel warmer als kouder is geweest dan nu, er is dus niets bijzonders aan de hand.

- De totale ijsmassa van Noord en Zuid pool is ongeveer constant. De Noordpool neemt een beetje af, de Zuidpool groeit. We hebben pas 30 jaar consistente meetgegevens hiervan. Anekdotische informatie van voor 1979 verhaalt regelmatig over bevaarbare Noordpool­routes honderd of meer jaren geleden. Er lijkt dus niets unieks aan de hand te zijn.

- Er kan geen bijzondere zeespiegelstijging worden gemeten, er is al eeuwen een stijging van enkele milimeters per jaar.

- Meer CO2 als broeikasgas kan op zich zelf slechts zeer beperkte temperatuurverhoging forceren. Daar is weinig debat over. Het mechanisme dat in de CAGW theorie voor extra verwarming in de atmosfeer zou moeten zorgen is ‘sterke positieve feedback’ door waterdamp. De beperkte verwarming door CO2 zou volgens de CAGW theorie een kettingreactie van verwarming oproepen. Verschijnselen die hierop zouden moeten wijzen worden echter niet gevonden (‘hotspot’ op circa 2 km hoogte) en in het verleden is een dergelijk ‘run away effect’ volgens onderzoek aan ijskernen nooit voorgekomen. De theorie is dus zeer onwaarschijnlijk.

- De gevaarlijke opwarming komt alleen uit computermodellen.

- Het IPCC is politiek en vooringenomen, hun ‘mission statement’ luidt (vrij vertaald): ‘het wetenschappelijk onderbouwen van de ernstige verwarmende werking van menselijke CO2 productie ‘, natuurlijke oorzaken worden helemaal niet onderzocht.

- We hebben van een groot deel van de natuurlijke mechanismen en cycli die de gemiddelde wereldtemperatuur bepalen nog maar weinig kennis. Het is onmogelijk om een eventuele menselijke invloed te onderscheiden van natuurlijke variatie.

Met andere woorden: niets dat betrouwbaar gemeten kan worden wijst op ongewone opwarming en de theorie achter het ‘versterkte broeikaseffect door menselijk geproduceerde CO2’ kan niet worden aangetoond, is onbewezen en onwaarschijnlijk.

Daarnaast wordt door andere sceptici aangegeven dat het bestrijden van de negatieve gevolgen van eventuele opwarming aanzienlijk eenvoudiger en goedkoper is dan het fundamenteel rantsoeneren en hervormen van de westerse economie.[v]

Toen in 2010 een grote hoeveelheid emails uitlekte (‘Climategate’) die de ‘mainstream’ klimaat­onderzoekers uit de meest gerenommeerde aan het IPCC gelieerde onderzoeksinstituten met elkaar deelden werd duidelijk dat sceptische publicaties jarenlang werden tegengehouden. Uit deze emails rees een beeld op van een kleine groep wetenschappers die de gang van zaken in het klimaat­onderzoek in hoge mate bepalen, elkaar in ‘peer reviews’ voortdurend de bal toespelen en die lijken toe te werken naar het presenteren van een zo alarmerend mogelijk beeld.

De beantwoording door de ‘main stream’ wetenschappers van de diverse kritische vragen uit het ‘sceptische’ kamp is veelal ‘ad hominem’ (de vragensteller wordt persoonlijk aangevallen) en zelden inhoudelijk. Voor zover er inhoudelijke antwoorden worden gegeven zijn deze weinig overtuigend en veelal onbewijsbaar, c.q. speculatief.

Conclusie

Om deze materie te kunnen beoordelen is het noodzakelijk zich enigszins te verdiepen in de klimaat­wetenschap. Dat is niet iedereen gegeven. Toch vereist de redelijke beoordeling van de ‘sceptische’ vragen en de antwoorden daarop geen zeer diep kennisniveau. Het grote alarm dat wordt geslagen en de ingrijpende maatregelen die worden voorgesteld vereisen een overtuigende ‘case’ voor CAGW, die ook door relatieve leken niet eenvoudig ontkracht kan worden. Deze ‘case’ is er niet. De CAGW hypothese is onbewijsbaar, maar er kan ook niet worden ‘bewezen’ dat zij onjuist is. Hiermee moet het onderwerp worden ondergebracht in de ‘pseudowetenschap’.[vi]

De genoemde fundamentele sceptische vragen en kritiekpunten kunnen ook na 20 jaar intensieve research niet overtuigend worden beantwoord. CAGW is daarmee niet erg geloofwaardig en zeker geen urgent probleem.

Langzamerhand begint ook het grote publiek in de gaten te krijgen dat de grote angstcampagne rondom menselijke ‘CO2 uitstoot’ met als gevolg daarvan ‘catastrofale opwarming van de aarde’ op drijfzand berust. Een paar strenge winters helpen daarbij, evenals grote overstromingen in gebieden waarvoor kort geleden ‘forever drought’ werd voorspeld. Het warmt al ruim 10 jaar niet meer op, met de poolkappen is niets aan de hand evenmin als met de zeespiegel, van alarmistische voorspellingen en temperatuur­reconstructies blijkt niets te kloppen, IPCC rapportages blijken op de meest alarmerende punten onjuist en lijken politiek gemotiveerd. 

Na meer dan 20 jaar publiciteitscampagnes en honderden miljarden onderzoeksgeld lijkt het hele klimaatverhaal gebaseerd te zijn op onbetrouwbare en onnauwkeurige metingen, rammelende theorieën en cirkelredeneringen, speculatieve computermodellen, selectieve en/of aangepaste onderzoeks­resultaten en statistieken, tunnelvisie en kuddegedrag en natuurlijk, last but not least, door financiële belangen.

Het is politiek zeer incorrect geworden om CAGW ter discussie te stellen. Niettemin durven steeds meer wetenschappers publiek hun twijfel - of zelfs afwijzing - te uiten omtrent de hypothese van catastrofale opwarming door menselijke CO2 productie[vii]. Dit zijn bijna uitsluitend wetenschappers met pensioen of in de nadagen van hun carrière, die lopen geen risico. Sommige politici durven te volgen, en zelfs enkele massamedia verlaten schoorvoetend hun favoriete horror scenario’s en passen de eenzijdige berichtgeving enigszins aan. De financieel belanghebbenden lijken nog het meest vasthoudend. Die hebben dan ook het meeste te verliezen. Klimaat en alles wat daarbij hoort (o.a. banken, windmolenaars, NGO’s, adviseurs, wetenschappelijke instituten) is een miljarden business geworden, geheel opgebracht door belasting­betalers.

 

Ideologieën en belangen

Club van Rome

Cartoon uit de jaren 70Met het rapport van de Club van Rome : “Grenzen aan de groei” werd in 1972 een direct verband gelegd tussen natuur & milieu en kapitalisme & de consumptiemaatschappij. De conclusie uit dit rapport kwam er op neer dat het voortgaan op dezelfde weg onherroepelijk zou leiden tot milieurampen, uitputting van aardse hulpbronnen en massale hongersnood (het klimaat was in die tijd nog niet ontdekt als risicogebied, er bestond zelfs een vrees voor ‘global cooling’[viii]). Men voorzag bij ongewijzigd beleid een dramatische ineenstorting van de maatschappij op korte termijn. Als oplossing werd een abrupte beëindiging van economische groei bepleit, evenals drastische maatregelen tegen bevolkingsgroei. Dit vereiste uiteraard krachtig bestuur, liefst wereldwijd, en afschaffing van economische en andere vrijheden, tenminste tijdelijk. Hoewel de aanbevelingen van de Club van Rome niet integraal werden overgenomen heeft het rapport wereldwijd zeer grote invloed gehad en markeert het de start van de milieubewegingen die we heden ten dage nog steeds kennen.

Geen van de voorspellingen van de Club van Rome is uitgekomen. De ‘groene beweging’ ziet dat echter slechts als een kwestie van timing. De voorraden schaarse grond- en hulpstoffen vielen mee, de recycling heeft geholpen en de diverse milieumaatregelen en technische vindingen hebben ons meer tijd gegeven. Maar het probleem blijft. Als we niet tot drastische maatregelen komen - die grotendeels neerkomen op het beëindigen van de consumptiemaatschappij, rantsoenering op diverse gebieden en het beperken van burgerlijke vrijheden - loopt het vroeger of later dramatisch af met de wereld.

Het ‘opraken’ van aardolie leek enige tijd een goed thema om de ‘groene argumenten’ kracht bij te zetten. Kernenergie werd na het tot mythische proporties opgeblazen ongeluk in Chernobyl in 1986 lange tijd als te gevaarlijk beschouwd en viel dus af als oplossing. Nieuwe exploratie­technieken en olievondsten[ix] en de groeiende toepassing van ruimschoots beschikbaar - en relatief ‘schoon’ - aardgas[x] [xi]maakten het energie­vraagstuk echter minder urgent. De argumentatie is inmiddels goeddeels verschoven naar ‘de geopolitiek ongewenste afhankelijkheid van instabiele en/of onbetrouwbare olie- en gasexporterende landen’. Recente enorme vondsten van ‘shalegas’ lijken overigens ook dat laatste argument op termijn te kunnen ontkrachten.[xii]

Groene ideologie

De ontdekking van het ‘klimaatprobleem’ en de oprichting van het IPPC in de jaren ‘80 gaf de ‘groene beweging’ weer vleugels. Deze beweging kreeg extra kracht toen in 1989 het ‘ijzeren gordijn’ viel en verdwaald geraakte socialistische aanhangers het milieu en klimaat als nieuwe heilsbron in hun armen sloten met als gemeenschappelijke vijand de industrie, de consumptiemaatschappij en het kapitalisme. De oprichting van Groen Links in Nederland als fusie van groene en communistisch/­socialistische partijen is dan ook niet toevallig.

Maar niet alleen antikapitalisten vallen voor de groene beweging. Ook voor calvinisten spreekt het sober en terughoudend omgaan met God’s schepping tot de verbeelding. Dit onder de noemer ‘goed rentmeesterschap’. De consumptiemaatschappij wordt ook door deze groep als ongewenst, verspillend en onrechtvaardig gezien. Met name ook internationaal. De internationale solidariteit is van oudsher natuurlijk eveneens een thema bij de socialisten.

Ten slotte zijn er nog de groene activisten van het zuiverste soort, (veelal urbane) natuuridealisten die de pure natuur met haar ecologische evenwicht als ideaal zien. Iedere verstoring die de mens aan dit prachtige evenwicht aanbrengt moet worden vermeden of ten minste worden gecompenseerd. Eigenlijk hoort de mens er niet bij, hooguit als loslopende jager/verzamelaar zoals in de oertijd.

Deze cocktail van ideologieën heeft gaandeweg bezit genomen van de publieke opinie. Het overgrote deel van de westerse bevolking onderschrijft het belang van streng milieubeheer en zuinig omgaan met energie en grondstoffen. Veel mensen maken zich op een of andere manier zorgen over de toekomst van de natuur en dientengevolge over het lange termijn voortbestaan van de mensheid op aarde.

Groene belangen

Met de ‘klimaatproblematiek’ als vliegwiel is een groot aantal milieu- en klimaatgerelateerde organisaties en - initiatieven versterkt of nieuw ontstaan. In eerste instantie vooral vanuit overheden en NGO’s. De politiek heeft het onderwerp milieu/klimaat hoog op de agenda gezet, immers wat het publiek bezighoudt verdient politieke aandacht. Vervolgens is ook het commerciële bedrijfsleven op het onderwerp actief geworden. Dit laatste deels uit overtuiging, deels uit commerciële/reputatie overwegingen en ook voor een belangrijk deel om aanspraak te kunnen maken op subsidiestromen. Ten slotte zijn ‘last but not least’ ook de ‘mainstream media’ zeer actief en betrokken als het over klimaat en de groene gedachte gaat. Allereerst waarschijnlijk omdat ‘slecht nieuws’ beter verkoopt, en er zijn op milieu/klimaat gebied vele apocalyptische beschouwingen beschikbaar. Maar wellicht ook omdat het ‘groene geluid’ een ‘links’ thema is en de mainstream media overwegend een linkse oriëntatie hebben.

Werkelijk in alle haarvaten van de maatschappij is het groene thema doorgedrongen. Op scholen worden de klimaat- en milieu-apocalyps kritiekloos onderwezen, op de radio, televisie en in kranten komt het expliciet of terloops in alle denkbare programma’s en artikelen ter sprake. In bedrijven en overheden is ‘groen’ een vast onderdeel van alle plannen en activiteiten. Celebrities van diverse pluimage betuigen op grote manifestaties en popconcerten hun onvoorwaardelijke steun. De groene gedachte is alom aanwezig.

Of de verschillende spelers op het groene veld allemaal sterke ideologische drijfveren hebben is niet zeker. Wat wel vaststaat is dat zij sterke belangen hebben bij de continuering en intensivering van het groene thema. Voor overheden is dit een groeiend beleids-, controle- en belastingterrein, voor de VN en EU is dit een thema dat belangrijke uitbreiding van bevoegdheden rechtvaardigt, voor alle andere spelers is het een geld- , prestige- en reputatiezaak. Dit maakt het beeld voor de gewone burger diffuus. Van alle kanten wordt gewezen op klimaat en milieurisico’s. Maar de spaarlampenfabriek in het Zuiden des lands, de windmolenaar in Urk, de ‘klimaathypotheek’ verkopende bank, de oneindige stoet ‘goede doelen/ milieu-organisaties’ en zelfs de VN, de EU, de nationale of locale overheid, het KNMI en de universiteit lijken allen voor eigen parochie te preken.

Het is niet vreemd dat ‘het establishment’ zo lang mogelijk vasthoudt aan het concept van de catastrofale opwarming van de aarde door CO2. Er zijn vele miljarden mee gemoeid. En de burger betaalt. Het is vooral dankzij het internet dat de wetenschappelijke zwakte, de onbetrouwbaarheid van de meetgegevens en de vele belangen rondom ‘global warming’ langzaam bekend worden bij een breder deel van de bevolking. Voor de inwoners van Urk valt te hopen dat dit besef ook in de politiek doordringt voordat het historische karakter van dit dorp door een megalomaan windpark definitief wordt vernield.

Duurzaamheid is nog in de mode

Het begrip ‘duurzaamheid’

Dit heet koolstofcompensatie. Tuinman: Maar is dit wel voldoende om de 'voetafdruk' van Uw auto, Uw huis, en Uw jet te compenseren? Al Gore: Ik debatteer nooit, plant die boom nu maarInteressant is dat zelfs de meest overtuigde ‘klimaatsceptici’ zich gewoonlijk haasten om te verklaren dat het weliswaar onduidelijk is of (door mensen veroorzaakte) CO2 uitstoot invloed op het klimaat heeft, maar dat het natuurlijk wel goed is om zuinig met fossiele brandstoffen en andere natuurlijke bronnen om te gaan en in brede zin ‘duurzaamheid ’ te betrachten.

Duurzaamheid is in haar hedendaagse betekenis in 1987 gedefinieerd door de VN-commissie Brundtland als ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen . Anders gezegd: ‘we hebben de aarde te leen van onze kinderen en kleinkinderen’.

Duurzaamheid betekent onder meer: zo min mogelijk energie verbruiken, niet uitbundig consumeren maar ‘consuminderen’, zo min mogelijk afval veroorzaken, huisvuil zorgvuldig scheiden voor de recycling en zuinig zijn met drinkwater. Dit alles niet zozeer om kosten te besparen maar om te voorkomen dat de aardse hulpbronnen ‘op’ raken en er onvoldoende over is voor de volgende generaties. Dat de volgende generaties nog talrijker lijken te worden dan de mensheid nu al is vormt in dit denken een grote bron van zorg. ‘Vroeger of later moet dit wel mislopen’.

In sommige kringen is het begrip duurzaamheid nog aanzienlijk uitgebreid en omvat het ook zaken als het tegengaan van armoede, corruptie, kinderarbeid, moderne vormen van slavernij, dierenmishandeling en de bio-industrie. Het duurzaamheidsbegrip in deze breedte laat ik hier buiten beschouwing.

Consequenties

De consequenties van het zuivere duurzaamheidsdenken zijn verreikend. In de kern komt het er op neer dat de ‘natuurlijke orde’ niet mag worden verstoord. Alle menselijke effecten op de natuur zijn in wezen ongewenst en zouden teniet moeten worden gedaan, gecompenseerd. De aanwezigheid van mensen zou geen invloed mogen hebben op de aardse natuur. De natuur in haar ‘oervorm’ is de ideale situatie, die moeten we zo veel mogelijk herstellen en behouden voor latere generaties. Mensen dienen zich niet als exploitant van de natuur op te stellen. De natuur is niet van ons, we zijn er onderdeel van en we moeten haar beschermen.

Internationale aspecten

De internationale dimensie van duurzaamheid is een interessante complicatie. De westerse wereld is rijk en gezond geworden door haar ‘overwinning’ op de natuur. Wouden werden gekapt, gevaarlijke dieren grotendeels uitgeroeid en wateren bedwongen. Diverse natuurlijke hulpbronnen zijn aangeboord en gebruikt om een industriële samenleving en een comfortabele consumptie­maatschappij te creëren die deze menselijke rijkdom en gezondheid mogelijk hebben gemaakt. De bevolking in de westerse wereld is gedurende dit proces enorm gegroeid om vervolgens te stabiliseren en (op dit moment) licht af te nemen. Pas in laatste instantie (circa de laatste 50 jaar) werd in de westerse wereld prioriteit gegeven aan natuur en milieu. Inmiddels is het hier schoner en ‘groener’ dan het in eeuwen is geweest.

Het minder ontwikkelde deel van de wereld streeft ernaar om een zelfde ontwikkeling door te maken. Dit nu is in de ogen van de groene beweging onmogelijk gezien de schaarse beschikbaarheid van aardse hulpbronnen. Wanneer ontwikkelingslanden tot een zelfde niveau van welvaart , bijbehorend energiegebruik en CO2-productie zouden komen als de westerse wereld zouden bestaande voorraden olie, delfstoffen, landbouwgrond, etc. te kort schieten, c.q. snel uitgeput raken. ‘Dan hebben we twee aardbollen nodig’. Bovendien zouden door de CO2 uitstoot catastrofale klimaatgevolgen optreden.

De oplossing voor dit internationale vraagstuk bestaat in de ogen van duurzaamheidsdenkers uit een combinatie van strenge welvaartsrantsoenering in het westen, welvaartsoverdracht/­ontwikkelings­hulp aan ontwikkelingslanden, ‘wereldwijde transitie naar duurzame energievormen’ en beperking van (bevolkings-)groei in ontwikkelingslanden. In wezen komt dit neer op een vergaande wereldwijde rantsoenering en welvaartsnivellering.

Internationale autoriteit

Dit alles vereist krachtig internationaal bestuur, want ‘milieuproblemen houden niet op aan de landsgrenzen’ en internationale nivellering gaat niet vrijwillig. De vraagstukken overstijgen het niveau van individuen of landen, zij zijn mondiaal en gelden de langere termijn. Dat maakt ze ongeschikt voor op korte termijn (deel)belangen gerichte democratische behandeling op het niveau van burgers of landen. Uiteindelijk, maar dat wordt er zelden bij gezegd, is de genoemde oplossing niet goed denkbaar zonder een soort ‘wereldautoriteit’ en het goeddeels inleveren van de nationale autonomie en burgerlijke vrijheden. In Europa lijkt de EU in veel opzichten de eerste stap. Bij de VN/IPCC beraadslagingen komt naar aanleiding van het ‘beheersen van het klimaatprobleem’ regelmatig aan de orde dat wereldwijd werkende bureaucratieën zouden moeten worden opgesteld die een en ander moeten kunnen afdwingen en controleren. Hier komt ook het bredere begrip van duurzaamheid in beeld. Door een versterkt internationaal bestuur, of zelfs een ‘wereldregering’, kunnen andere wereld­wijde misstanden (zoals oorlogen, uitbuiting, te grote inkomensverschillen, moderne slavernij, corruptie, kinderarbeid, etc.) eveneens worden aangepakt.

Moral highground’

Ik ben ervan overtuigd dat het overgrote deel van de (westerse) bevolking sympathie heeft voor duurzaamheid, overigens zonder zich rekenschap te geven van de uiterste consequentie van dit denken. Soberheid, verspilling tegen gaan, de boel netjes houden , niets moois stuk maken, het goede behouden, eerlijk delen. Het zijn allemaal deugden waar toch niemand tegen kan zijn?

Er zijn vooral verschillen in opvatting over de urgentie van duurzaamheid, veel minder over het principe. Het is helaas in de westerse wereld zo goed als onmogelijk om als modern mens volledig naar ‘duurzame’ maatstaven te leven. Maar ‘eigenlijk zou het wel moeten’. Wie werkelijk duurzaam en milieubewust leeft is een ‘beter’ mens. Wij zijn derhalve allen ‘zondaars’. Dat is de ‘moral highground’ van de groene beweging.

 

Tegen duurzaamheid

Degene die zich in de westerse wereld uitspreekt tegen duurzaamheid wordt niet begrepen. Er wordt aangenomen dat bedoeld wordt: het is een mooi ideaal, maar het is niet haalbaar.

Dat is niet wat ik bedoel.

Eindige voorraden

Allereerst is duurzaamheidsdenken gebaseerd op het principe van de eindige voorraden. Aardse hulpbronnen raken uitgeput. Met de groei van het aantal mensen zullen de schaarse voorraden steeds meer worden aangesproken en dus snel opraken. Dit klinkt plausibel.

De praktijk is echter dat de voorraden van nagenoeg alles dat we kennen, c.q. belangrijk vinden, in de afgelopen eeuwen alleen maar zijn toegenomen. Dat klinkt vreemd. Maar het is het gevolg van de verwarring die er bestaat tussen voorraden die we gevonden hebben of op korte termijn met de ons bekende technieken verwachten te vinden versus de werkelijke voorraden die in de aarde aanwezig zijn en die we steeds verder kunnen exploreren.

Het volume van de aarde wordt door de meeste mensen geweldig onderschat. Op dit moment halen we jaarlijks circa 100 kubieke kilometer aan (brand- en delf)stoffen uit de aarde. Wanneer we hiermee nog 100 miljoen jaar doorgaan hebben we minder dan 1 % van de aarde gebruikt [xiii]. Hierbij wordt nog geen rekening gehouden met recycling. Steeds meer van wat we gebruiken wordt op dit moment hergebruikt, waardoor de horizon nog veel verder weg komt te liggen. Bovendien is de aarde niet onze enige bron. De zon levert energie voor het laten groeien van planten die weer nieuwe hulpbronnen vormen. Op de termijn van miljoenen jaren kan redelijkerwijs verwacht worden dat we zo nodig de maan en ook andere planeten als hulpbronnen kunnen inzetten.

Voor de landbouw en de voedselvoorziening gelden soortgelijke overwegingen. We gebruiken vandaag wereldwijd niet meer landbouwgrond dan we 100 jaar geleden gebruikten. Hiermee voeden we een veelvoud van het aantal mensen. En dat ook nog met aanzienlijk hoogwaardigere en calorierijkere voeding. [xiv]Technisch zijn we met de huidige technieken al in staat om een veelvoud van het huidig aantal mensen op de wereld volwaardig te voeden. De stijgende concentratie CO2 in de lucht gaat hier ook nog eens bij helpen. Studies laten zien dat bij een verdubbeling van de CO2 concentratie in de lucht de wereldvoedselproductie circa 30% zal toenemen.[xv]

Er blijkt dat we telkens weer betere hulpbronnen en technieken vinden die de oude overbodig maken. Dat is geen toeval, we zijn voortdurend met het zoeken naar nieuwe oplossingen bezig. Het stenen tijdperk is niet geëindigd door een gebrek aan stenen, het turf steken eindigde niet door een gebrek aan turf, de kolenstook eindigde niet door een gebrek aan kolen en het olietijdperk zal niet eindigen door een gebrek aan olie.

Zolang er voldoende menselijk vernuft is en er maatschappelijke structuren bestaan die dat vernuft voldoende ruimte geven is er van een betekenisvolle fysieke eindigheid van hulpbronnen geen sprake.

Kwijnende natuur

In kringen van groenaanbidders wordt nogal eens gesteld dat de natuur het door de mensen moeilijk heeft en dat de problemen eigenlijk alleen maar erger worden. De oceanen zijn leeggevist, de bossen vernietigd, het milieu is verontreinigd, de pure natuur is nagenoeg verdwenen, het aantal diersoorten neemt door de mens drastisch af, etc.

Het hangt er bij dit soort beschouwingen vanaf hoever we in de tijd terug willen gaan. In de prehistorie, toen er nog nauwelijks mensen waren, bestond de wereld geheel uit ‘pure natuur’. Er was toen waarschijnlijk meer bos dan nu. Of er ook meer vis in de oceanen zat is de vraag, de visstand is een voortdurend evenwicht tussen diverse elkaar beconcurrerende soorten. Door ingrijpen van de mens is dat evenwicht veranderd, maar niet noodzakelijkerwijs met een vermindering van de totale visstand tot gevolg. Milieuverontreiniging door mensen was er nog niet, zoveel is zeker. Het aantal diersoorten echter, de biodiversiteit, was in die tijd waarschijnlijk kleiner dan vandaag omdat de evolutie van verschillende soorten steeds verder gaat en ook omdat er door de mens meer verschillende landschappen zijn ontstaan en worden onderhouden en er vandaag bovendien actief getracht wordt soorten in stand te houden die in een ‘pure’ natuur niet zouden overleven. Van een grootschalige uitsterving van soorten is geen sprake. [xvi]

Met de groei van het aantal mensen op aarde groeide ook de menselijke invloed op de natuur. Hele wouden werden gekapt, landschappen werden grootschalig gewijzigd, grote steden ontstonden, locaal was de menselijke vervuiling aanzienlijk, maar mondiaal gezien kleinschalig. Bij de start van de industriële revolutie begon in het westen op flinke schaal vervuiling op te treden, met duidelijk waarneembare negatieve consequenties voor de natuur. Ongeveer 50 jaar geleden is het een prioriteit geworden om hier aandacht aan te besteden. Op dit moment is het in de westerse wereld schoner en groener dan het in de laatste paar honderd jaar is geweest. In Nederland staat ruwweg vier maal zoveel bos als 200 jaar geleden. Water en lucht zijn schoner dan zij in eeuwen zijn geweest.

In minder ontwikkelde gebieden verkeert men in één van de stadia die het westen in het verleden heeft doorgemaakt. In de pre-industriële gebieden bestaat locaal forse vervuiling maar op relatief kleine schaal. In industriële ontwikkelingsomgevingen wordt hier en daar stevig verontreinigd, vergelijkbaar met het westen van 200 jaar geleden. Maar in bijvoorbeeld China is de ontwikkelings­stap die in het westen 50 jaar geleden begon al zichtbaar. Zo worden er in China enorm veel bomen geplant waardoor dit land een aanzienlijke vergroening doormaakt, in veel hoger tempo dan we hier hebben gedaan. In Brazilië en in Indonesië wordt nog veel gekapt, maar er groeit ook heel veel bos terug. Er staat hier nog meer dan 80% van de ‘oerbossen’ overeind, aanzienlijk meer dan er indertijd van de grote wouden in Europa is overgebleven. De boskap wordt mondiaal in de zin van bosoppervlak min of meer goedgemaakt door de vergroening van o.a. China en de westerse wereld. De hoeveelheid bos op aarde lijkt systematisch te worden onderschat.[xvii]

Al met al is er op dit moment geen reden om bezorgd te zijn over de mondiale stand van de natuur.

De absolute schoonheid en goedheid van natuur

Er lijkt tegenwoordig weinig discussie te zijn over de notie dat ongerepte, niet door de mens beïnvloede, natuur goed en mooi is. En dat het natuurlijk evenwicht binnen een ecosysteem van een delicate schoonheid is die niet mag worden verstoord. Toch zijn deze visies moeilijk houdbaar. Ecosystemen worden voortdurend verstoord, vooral door natuurlijke oorzaken, waarna zich weer een nieuw evenwicht instelt. Ongerepte natuur kan door locale dominantie van een soort heel monotoon en soortenarm zijn. Door ‘natuurlijke’ blikseminslag worden regelmatig bossen in de as gelegd. Door natuurlijke overstromingen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, etc. worden slachtingen uitgevoerd op de locaal aanwezige fauna en flora. Meer dan 99% van de plant- en diersoorten die ooit hebben bestaan is op natuurlijke wijze uitgestorven.

De vraag of natuur ‘mooi’ is, is een kwestie van menselijke smaak. Velen zien liever een ongerept oerwoud dan een grote stad. Maar dat oerwoud dient zich wel op veilige afstand te bevinden van de woonomgeving. Tijgers, slangen en olifanten, wolven en beren, het zijn alle indrukwekkende dieren, maar niet voor in de achtertuin. In een werkelijk ongerept woud zou de gemiddelde moderne mens niet meer dan een dag overleven.

De schoonheid geldt voorts uitsluitend grotere ‘knuffelbare’ dieren. Reptielen kunnen in het algemeen op minder menselijke sympathie rekenen dan zoogdieren of vogels. Insecten, parasieten en nog kleinere kriebelaars worden vooral eng en gevaarlijk gevonden. De komst van het H1N1 of AIDS virus wordt zelden toegejuicht als een welkome aanvulling op de zo bezongen biodiversiteit.

De rigoureuze indeling van het planten- en dierenrijk in ‘nuttige’ en ‘schadelijke’ soorten, zoals ons in het verleden werd bijgebracht, was misschien wat ongenuanceerd. Maar het kritiekloos aanbidden van ‘het natuurlijk evenwicht en de soortenrijkdom’ is vooral een sprookje voor urbane idealisten. De natuur ‘goed’ of ‘slecht’ vinden, ‘mooi’ of ‘lelijk’, is louter een subjectieve menselijke kwalificatie zonder enige echte betekenis.

Tegen mensen

De liefde voor de natuur lijkt bij groene idealisten vaak zover te gaan dat planten en dieren boven mensen worden geplaatst. Door velen wordt een forse reductie van de menselijke bevolking bepleit, (vooralsnog) niet door actieve uitroeiing maar door geboortebeperking . Het heeft er op zijn minst de schijn van dat deze visie niet alleen wordt ingegeven door de zorg of al deze mensen wel gevoed kunnen worden, maar ook - en vooral - door de overtuiging dat een wereld met minder (of geen) mensen in zichzelf mooier en zuiverder is.

Zo is in de jaren ‘70 het gebruik van het bestrijdingsmiddel DDT wereldwijd uitgebannen omdat er aanwijzingen waren dat er resistentie onder insecten optrad en bepaalde insectenetende vogelsoorten als gevolg daarvan minder goed gedijen[xviii]. DDT was echter ook bekend als een probaat middel tegen de gevreesde malaria. Deze mensenziekte was als gevolg van DDT-gebruik bijna geheel uitgeroeid. Na het verbod op DDT eiste malaria binnen een paar jaar weer meer dan een miljoen menselijke slachtoffers per jaar. Niettemin hebben de DDT-verbieders van indertijd nergens spijt betuigd van hun acties en zijn ze er nog steeds trots op dat de vogelstand op peil is gebleven en dat ze ‘erger’ hebben voorkomen. Rachel Carson, de schrijfster van ‘Silent Spring’ waarin alarm werd geslagen over de milieurisico’s van DDT, wordt in milieukringen nog altijd geëerd. Recentelijk (in 2006) werd het gebruik van DDT door de WHO weer beperkt toegestaan, ettelijke miljoenen menselijke malariaslachtoffers later.

Deze keuze voor ‘de natuur’ tegen ‘de mensen’ is geen eenmalige ‘fout’ uit het verleden. De recente grootschalige inzet van ‘biobrandstof’ heeft de voedselprijzen wereldwijd sterk doen stijgen met toenemende hongersterfte in ontwikkelingslanden als gevolg. De krachtige ontmoediging van het gebruik van fossiele brandstof voor energiecentrales heeft de noodzakelijke ‘elektrificatie’ in ontwikkelingslanden vertraagd en duurder gemaakt, waardoor er nog steeds in huis op rokerige vuurtjes wordt gestookt met vele menselijke slachtoffers. Er zijn voorbeelden te over waar de westerse ‘liefde voor de natuur’ in ontwikkelingslanden dagelijks mensenlevens kost.

En zelfs in ons dichtbevolkte land worden vele miljarden besteed aan het creëren van een ‘Ecologische Hoofd Structuur’ waarbij circa 1/6 van het Nederlands landoppervlak wordt gereserveerd voor natuur en middels o.a. ‘ecoducten’ onderling wordt verbonden met als onbewezen doelstelling dat de ‘biodiversiteit’ hiermee wordt gestimuleerd. Tegelijkertijd wordt beknibbeld op wegenbouw met voor miljoenen automobilisten en transporteurs dagelijks lange files als gevolg[xix] en wordt uit geldgebrek voor bejaarden in tehuizen een wekelijkse ‘luierdag’ geïntroduceerd. Een kwestie van prioriteiten.

Ontkenning van vooruitgang

Sinds eind jaren ‘60 wordt het begrip ‘vooruitgang’ veelal smalend en cynisch bezien. Alsof de vergiftigde oceanen, de rokende fabrieken, het levensgevaarlijke kernafval en de uitzichtloze ellende in de wereld vooruitgang genoemd kunnen worden.

Feitelijk is deze ontkenning van menselijke vooruitgang echter onjuist. Naar alle meetbare maatstaven gaat het de mensheid op dit moment beter dan ooit eerder in de geschiedenis[xx]. Dat geldt zowel de westerse wereld als ook de ontwikkelingslanden. De levensverwachting is wereldwijd spectaculair toegenomen, kindersterfte en ondervoeding nemen af, opleidingsniveaus nemen wereldwijd toe en dit proces gaat nog altijd door. Er is een groot verschil tussen rijke en arme landen, maar in beide is deze positieve trend onmiskenbaar.

Deze verbetering is voor een belangrijk deel te danken aan nieuwe technische vindingen, sterk verbeterde transport en communicatie mogelijkheden en maatschappijvormen die de ontwikkeling van verbeteringen van allerlei soort actief stimuleren.

Sinds de verlichting is een groot deel van de mensheid continu bezig om verbeteringen aan te brengen op alle niveaus. Dit geldt niet alleen de wereldschokkende topuitvindingen in wetenschappelijk/­technologische instituten, maar ook de eindeloze stroom kleinere verbeteringen die op werkniveau aangebracht worden in procedures, processen en producten in alle mogelijke takken van bedrijvigheid.

De voortdurende vernieuwings- en verbeteringsdrift staat in veel opzichten haaks op de duurzaamheidsgedachte van het ‘herstellen van de wereld in haar oervorm en het vermijden, dan wel compenseren, van de menselijke ‘footprint’ op de wereld’.

Zoals onze generatie profiteert van de vele verbeteringen die onze voorouders hebben gerealiseerd, zo laten wij onze kinderen en kleinkinderen een wereld na met wederom betere medicijnen, betere communicatie- en transportmiddelen, betere voedselvoorziening, hogere levensverwachting en hogere opleidingsniveaus.

 

Bevolkingsgroei

De voortdurende bevolkingsgroei die er de laatste eeuwen is geweest was een belangrijke motor voor vernieuwing en verbetering. Het was nodig om de tractor uit te vinden om het land te bewerken. En het was nodig om slimmere en betere gewassen te ontwikkelen met een hogere opbrengst. Er waren bovendien nieuwe afzetmarkten te ontwikkelen die al die vernieuwings­inspanning economisch de moeite waard maakten. Deze logica is fundamenteel voor het concept van economische groei. Zowel voor de vraagkant (potentiële afzetmarkten) als voor de aanbodkant (nieuwe uitvinders en ‘verbeteraars’) is bevolkingsgroei onontbeerlijk. Dit proces gaat naar het zich laat aanzien nog wel even door. Maar er wordt voorspeld dat de wereldbevolking in de tweede helft van deze eeuw zal stabiliseren (rond de 9 miljard mensen) om vervolgens te gaan dalen.

Deze verwachte stabilisering van de wereldbevolking doet duurzaamheidsdenkers een zucht van verlichting slaken, hoewel men het verwachte aantal van 9 miljard onaanvaardbaar hoog vindt en er getwijfeld wordt aan de juistheid van de voorspelling. Die twijfel deel ik. Uit de historie is gebleken hoezeer we er met demografische voorspellingen naast kunnen zitten.

Het is mijns inziens de vraag of een stabiel of zelfs dalend bevolkingsaantal op termijn wel een aantrekkelijke wereld oplevert. Is er dan nog wel voldoende druk, c.q. economische aantrekkelijkheid voor het ontwikkelen van vernieuwingen ? Kan een vrije markt economie met maximale individuele vrijheid dan nog wel blijven bestaan ? Hebben we dan op termijn nog wel voldoende ‘verbeteraars’? Of levert dit een stagnerende wereld op zonder vernieuwing en een nadruk op (eerlijke) verdeling? Zou de mensheid het op die manier lang kunnen volhouden?

Het verstikkende voorzorgsbeginsel

Eén van de centrale leerstukken van het duurzaamheidsdenken is het ‘voorzorgsbeginsel’. De bekendste definitie is te vinden in het Brundtland rapport (1987) en de Rio Declaration (1992). Vrij vertaald luidt deze definitie: als er kans is op serieuze of onomkeerbare schade, dan mag het gebrek aan volledige wetenschappelijke zekerheid niet gebruikt worden als reden om maatregelen uit te stellen.

In de praktijk wordt het voorzorgsbeginsel veel gebruikt om de inzet van nieuwe technologie te verbieden of vertragen, danwel het gebruik van bestaande technologieën te verminderen omdat niet bewezen kan worden dat er (op termijn) geen negatieve milieu-effecten optreden. Zo wordt nog steeds fel geageerd tegen het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen omdat gevreesd wordt voor negatieve milieu- of gezondheidsconsequenties op lange termijn. Om dezelfde reden worden kolen- , gas- en oliecentrales ontmoedigd omdat niet uitgesloten kan worden dat er op lange termijn atmosferische verwarming optreedt als gevolg van CO2.

En bovenal is er angst voor kernenergie. Hoewel nucleaire energie in de laatste 50 jaar heeft aangetoond veruit de veiligste en betrouwbaarste energiebron te zijn en er massa’s weten­schap­pelijk bewijs zijn geleverd dat de risico’s van radioactieve straling absurd overdreven worden, blijft er grote angst bestaan. Nog steeds worden horrorverhalen verteld over het ongeluk bij Three Mile Island en over het grote Chernobyl incident, waarbij het aantal dodelijke stralingsslachtoffers (0, respectievelijk 59) in het niet valt bij het jaarlijks dodental in kolenmijnen. De angst is zo groot dat het taboe is om over dit onderwerp objectieve en goed gedocumenteerde feitelijke informatie te verschaffen [xxi][xxii].

Het zijn met name de onbekende niet aantoonbare negatieve lange termijn effecten die hierbij zwaar worden ‘gewogen’, de evidente voordelen die op korte termijn al realiteit zijn - en vaak mensen­levens kunnen redden - worden hiertegen weggestreept.

Hiermee is het voorzorgsbeginsel vooral een conservatief beginsel van angst geworden. Angst voor vernieuwing. Angst voor het onbekende [xxiii]. Veel vernieuwing wordt hierdoor gesmoord. Men grijpt liever terug op middeleeuwse technieken als windmolens , die alleen dankzij ruimhartige overheids­subsidie kunnen blijven draaien.

Wetenschappelijke beperkingen

De aan ‘duurzaamheid’ verbonden wetenschap houdt zich bijna zonder uitzondering bezig met onderwerpen als ‘biologie’, ‘oceanologie’, ‘glaciologie’, ‘geologie’ en ‘ecologie’. In het verleden waren deze wetenschappen grotendeels inventariserend en beschrijvend van aard. Repeteerbare experimenten en testbare wetenschappelijke theorieën met harde causaliteitsrelaties, zoals in de natuur- of scheikunde, zijn bij deze onderwerpen veelal onmogelijk. Dit allereerst omdat het onderwerp te veel samenhangende facetten bevat waarvan we er maar een deel kennen, laat staan begrijpen. Ten tweede is het veelal onmogelijk om ter verkrijging van een representatieve testomgeving een deel van het onderwerp te isoleren voor wetenschappelijke proeven. Het gaat bij duurzaamheid nu juist om het geheel. ‘De natuur’ of ‘de aarde’ is onderwerp van zorg. Analyse en beproeving van een klein stukje daarvan is niet representatief omdat juist alles met alles in dat geheel samenhangt. Ten slotte gaat het veelal om het bestuderen van allerhande verschijnselen op lange termijn, vaak tenminste in termijnen van enige decennia. Dat nu is problematisch omdat we nauwelijks over nauwkeurige en voldoende gedetailleerde gegevens uit het verleden beschikken en we ook niet 50 jaar willen wachten met het doen van uitspraken. Stellige uitspraken aangaande lange termijn ontwikkelingen op duurzaamheidsgebied zijn door al deze beperkingen zelden meer dan pure speculatie.

Gecorrumpeerde wetenschap

Door de ‘maatschappelijke relevantie’ van duurzaamheid worden wetenschappers niettemin onder grote druk gezet om tot stellige uitspraken en voorspellingen te komen, zodat allerlei beleid daarop kan worden afgestemd. Deze druk is nog aanzienlijk toegenomen met de wijzigende financiering van onderzoek. In het (alweer verre) verleden bepaalden universiteiten grotendeels zelf waar zij onderzoeksgeld aan wilden uitgeven. Het ging om de wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Of onderzoeksresultaten praktisch toepasbaar waren in de maatschappij was van latere zorg. Die situatie is in de laatste decennia drastisch veranderd. Bijna al het onderzoek dat heden ten dage wordt uitgevoerd is specifiek gefinancierd. En in de gevallen waar het ‘duurzaamheid’ betreft heeft de financier meestal belang bij zowel de duidelijkheid als ook de richting van de uitkomsten.

Deze situatie zet bij duurzaamheidsgerelateerd onderzoek de deur wagenwijd open voor ‘pseudowetenschap’ en ‘advocacy research’. Op basis van zeer beperkte onderzoeksgegevens worden speculatieve lange termijn trends geconstrueerd, correlaties worden tot causaliteit verheven en specifieke casuïstiek wordt gepresenteerd als exemplarisch. Zelfs lijken onderzoeksresultaten die niet stroken met de gewenste conclusie te worden weggelaten of worden zonodig passende resultaten gefingeerd. Door het nauwelijks repeteerbare karakter van veel van dit soort studies blijft dit gedrag veelal onbewijsbaar en dus onbestraft.

Weg met ons’-mentaliteit

De nadruk op de ‘schuldige’ welvarende westerling , consument, automobilist, vleeseter, vliegvakantie-liefhebber lijkt voor een belangrijk deel terug te voeren op een enigszins geperverteerde christelijke notie van de zondeval. Dat de wereldwijde degradatie van de natuur niet aantoonbaar is (en wellicht überhaupt geen probleem), dat de onverkorte mondiale invoering van Kyoto protocollen zelfs volgens de IPCC modellen geen zier helpt tegen vermeende ‘global warming’, dat windmolen­parken alleen maar geld kosten en aantoonbaar meer schade dan heil brengen voor het milieu [xxiv], dat het grootschalig overdragen van middelen aan regimes in ontwikkelingslanden de zaken ter plaatse alleen maar erger maakt [xxv]en, last but not least, dat het uitvoeren van al dit soort maatregelen onze westerse economieën ernstig schaadt doet allemaal niet ter zake.

Er lijkt zich een soort masochistische ‘weg met ons’-mentaliteit van de duurzaamheidsdenkers meester te hebben gemaakt. Wij verdienen het om stevig in ons eigen vlees te moeten snijden. Wij moeten boete doen voor ons ongebreideld consumentisme . Dat is een zonde. De gretigheid waarmee het ‘doomsday pessimisme’ in allerlei vormen wordt gepredikt doet vermoeden dat de duurzaamheidsprofeten ernstig teleurgesteld zouden zijn wanneer het allemaal wel meevalt. Rondom de ‘klimaathype’ zijn de eerste tekenen al zichtbaar van het verleggen van de ‘problemen’ van ‘opwarming’ naar ‘biodiversiteitsvermindering’, een zo mogelijk nóg verder gezocht, onbewijsbaar fantoom issue [xxvi].

Beheersingsdrang, vrijheidsbeperking

Naast de genoemde ‘christelijke’ ‘weg met ons’-component van het duurzaamheidsdenken valt ook de anti-kapitalistische, anti-industriële en anti-vrijheids kant van dit gedachtegoed op. Zonder dat er serieuze bewijzen zijn geleverd worden industrieën gedwongen tot vergaande milieu effect beperkende maatregelen tot en met het ‘afvangen’ van CO2. Kokkel- en mosselvisserij worden effectief onmogelijk gemaakt. Het uitbaggeren van een vaargeul moet elders met natuurmaatregelen ‘gecompenseerd’ worden. De onschuldige gloeilamp wordt verbannen.

Bij de burgers wordt getracht ’ slimme elektriciteitsmeters’ te plaatsen die onzuinig gedrag direct kunnen registreren en rapporteren. Huisvuil moet in een toenemend aantal soorten worden gescheiden op straffe van boetes (nog niet in Nederland, wel al in Duitsland). Waterkranen en douches worden standaard uitgerust met waterbesparende koppen zodat slappe straaltjes ontstaan. Onzuinige auto’s worden extra belast en in sommige gemeenten zelfs uit het centrum geweerd. Energie wordt met een toenemende accijns belast om o.a. windmolenparken te financieren. Naast elektrische apparaten moeten ook woonhuizen van een ’ energielabel’ worden voorzien. Er lijkt zich een tendens af te tekenen waarbij van ieder persoon de ’ ecologische footprint’ moet kunnen worden bepaald, die vervolgens kan worden belast of zelfs wettelijk gelimiteerd.

Vindt U dit een goed stuk? Zorg dan dat er meer van dit soort stukken komen: doe een donatie aan de Groene Rekenkamer!

KLIK HIER

De geestdrift waarmee over de noodzaak tot beperking van bevolkingsgroei wordt gesproken, over internationale ‘cap & trade’ van CO2 emissies (met name de ‘cap’) alsmede over het beperken van consumptie doet vermoeden dat rantsoenering, beperking en controle wel haast doel zijn geworden. Het feit dat in Europa veel van deze maatregelen ’ vanuit Brussel’ worden opgelegd en dus niet effectief nationaal ter discussie kunnen worden gesteld maakt het er niet beter op.

Pessimisme en argwaan tegen techniek

De sfeer die er door het duurzaamheidsdogma is ontstaan is er een van angst, argwaan tegen vernieuwing en techniek, afkeer van hetgeen het moderne Westen groot heeft gemaakt, cultuur­relativisme en diep pessimisme over de toekomst. Een belangrijk deel van de jeugd is hiermee geïnfecteerd. De officiële leerboeken staan er vol mee en alle media (behalve het vrije internet) zijn er van doordesemd. Het feit dat er in de westerse wereld bij middelbare school leerlingen weinig belangstelling meer is voor technische vakken, maar meer voor milieukunde, communicatie en management, is hier naar mijn mening voor een belangrijk deel op terug te voeren.

Wereldpolitiek

De VN, die voor de meerderheid bestaan uit dictators uit ontwikkelingslanden[xxvii] die niet belast zijn met het christelijk schuldgevoel, laten zich de westerse zelfkastijding met genoegen aanleunen. Wanneer westers duurzaamheidsdenken tot gevolg heeft dat er meer geld en macht aan deze dictators wordt overgedragen is dat natuurlijk uitstekend. Dat deze overdracht louter de eigen arme bevolking ten goede zal komen wil men gaarne met de hand op het hart verklaren. In werkelijkheid zal de lokale bevolking meer nadelen dan voordelen ervaren, de wervende spotjes over westerse zonnecellen op krottendaken ten spijt.

Kosten

Hoeveel geld het duurzaamheidsdenken de westerse maatschappij gekost heeft en nog steeds kost laat zich moeilijk becijferen. Noch bij de overheid, noch in de marktsector zijn dit soort kosten in één post ondergebracht maar komen zij in alle denkbare deelbudgetten in eindeloos veel verschillende gedaanten voor. Wanneer we de kosten van de gehele ‘groene sector’ in de economie meenemen zou het mij niet verbazen als het totale financiële volume in de orde van 10 % van het BNP bedraagt. Hier liggen zeer aanzienlijke besparingsmogelijkheden.

 

Conclusie

Het is om bovenstaande redenen dat ik weinig op heb met ‘duurzaamheid’. Hoewel de duurzaamheidsgedachte meestal met de best mogelijke bedoelingen wordt aangehangen is het mijns inziens per saldo een kwalijke ideologie. Een benepen en angstig, pessimistisch soort ‘zelfvernietigings’-ideologie, een religie bijna, met zorgwekkend totalitaire trekken, die onverdraagzaam is naar andersdenkenden, die gebaseerd is op aantoonbare onwaarheden en de wetenschap ‘misbruikt’ voor een sausje van ‘objectiviteit’ en die vermengd is met onverkwikkelijke hypocrisie en ordinaire belangen. Dit gedachtegoed trekt enorme financiële en intellectuele middelen weg van zaken die er voor het welzijn van de mensheid op aarde veel meer toe doen. In haar extreme vorm is het groene denken zelfs een ‘self fulfilling prophecy’: wanneer nieuwe technologieën en nieuwe exploratie van aardse bronnen met succes worden gefrustreerd zal er inderdaad schaarste ontstaan op langere termijn.

Optimistisch toekomstbeeld

Ik houd graag een optimistisch pleidooi voor de ‘mensheid’. Wij hebben ons ontwikkeld van een wild stel nomadische jagers, die weliswaar louter biologisch voedsel aten en ruim voldoende beweging kregen maar toch niet ouder werden dan 30, tot grote, bloeiende met elkaar verbonden gemeenschappen met een steeds verder groeiende gemiddelde levensverwachting (wereld gemiddelde 2010: 68 jaar). We zijn voortdurend bezig onze leefomstandigheden verder te verbeteren en comfortabeler te maken en daar slagen we tot dusverre wonderwel in. Veel van onze verbeteringen zijn imperfect en roepen weer nieuwe uitdagingen op. Die lossen we vervolgens weer op, om weer nieuwe tegen te komen. Daar zijn we voortdurend mee bezig, per saldo met spectaculair succes. Het comfort en de rijkdom die we vandaag kennen is zonder precedent in onze geschiedenis. Toch is er nog altijd veel te doen. Er zijn nog steeds mensen die van honger of aan geneesbare ziekten sterven. Er is nog steeds niet overal schoon drinkwater en sanitair. Ouderen, waarvan er steeds meer komen, leven zelfs in het rijke westen soms nog in erbarmelijke omstandigheden. Er zijn nog steeds ziekten die we niet kunnen genezen. Werk aan de winkel.

De natuur, c.q. de aarde is essentieel bij onze ontwikkeling. Wij gebruiken haar voor voedsel en hulpstoffen en velen van ons vinden haar mooi en inspirerend. Zonder haar kunnen we niet leven. Maar zij is machtig en kan lastig of gevaarlijk voor ons zijn. Daarom streven wij ernaar om haar zo goed mogelijk te bedwingen en haar bronnen optimaal te benutten.

Dit is geen pleidooi voor het overboord zetten van alle milieuregels. Veel van deze regels hebben hun nut bewezen en hebben ervoor gezorgd dat de natuur er in de westerse wereld aanzienlijk beter voorstaat dan 50 jaar geleden. Dat is een waardevolle inspanning geweest en is ongetwijfeld één van de verklarende factoren voor almaar de hogere levensverwachting in onze contreien.

De bijna heiligverklaring van al wat leeft, de aan hysterie grenzende afkeer van elke menselijke invloed op de natuur en de apocalyptische beschouwingen over aanstaande wereldrampen zijn echter totaal ongegrond en benemen het zicht op nuchter en praktisch milieubeheer waarbij het welzijn van de mensen, voor de korte en de langere termijn, de leidraad zou moeten zijn.

Ten faveure van een voortgaande bloei van de mensheid.

Koos Tjalma

januari 2011



[i] Een goed, gedetailleerd en leesbaar overzicht is te vinden in “De staat van het klimaat”, Marcel Crok 2010

[ii] Zie ook “bericht van een bezorgde burger”, http://www.klimatosoof.nl/node/655

[iv] Loehle, C. 2007. A 2000-year global temperature reconstruction based on non-treering proxies. Energy & Environment 18(7-8): 1049-1058

[v] Björn Lomborg, The Skeptical Environmentalist: Measuring the RealState of the World (2001)

[vii] More Than 1000 International Scientists Dissent Over Man-Made Global Warming Claims

Presented to the United Nations Climate Change Conference in Cancun, Mexico, December 9, 2010 http://cds014.am4.hwcdn.net/g9z6c6z5/cds/p/b/f/6/bf663fd2376ffeca/2010_S...?

[viii] “Another Ice Age?” Cover van Time magazine, 24 juni 1974

[ix] b.v. Sugar Loaf Field Brazilië ca. 40 mld barrels light crude

[x] b.v. Haynesville Shale Louisiana, vergelijkbaar met ca 35 mld barrels

[xi] December 2010: Energiebedrijf Noble uit Houston bevestigde woensdag dat een diepzeeveld voor de Israelische kust naar schatting zo’n 453 miljard kubieke meter aardgas bevat. Genoeg voor ca. 100 jaar Israëlische energievoorziening.

[xii] How shalegas will rock the world http://online.wsj.com/article/SB10001424052702303491304575187880596301668.html

[xiii] Voor de berekening zie Prof George Reisman Professor Emeritus of Economics Pepperdine University http://www.lewrockwell.com/reisman/reisman15.html

[xiv] Voor uitvoerige onderbouwing zie Julian L. Simon “The ultimate resource 2” 1996 en Indur M. Goklany “The improving state of the world” 2007

[xv] Zie http://www.klimatosoof.nl/node/1130 voor de indrukwekkende positieve effecten op plantengroei van verhoogde CO2 concentratie in de lucht

[xvii] Alan Grainger “Difficulties in tracking the long-term global trend in tropical forest area” Proceedings of the National Academy of Sciences USA 105: 818-823 (2008) School of Geography, University of Leeds 

[xviii] Carson, Rachel (2002) [1st. Pub. Houghton Mifflin, 1962]. Silent Spring. Mariner Books.ISBN 0-618-24906-0.

[xix] Een integrale verbreding van het snelwegennet zou alle fileproblemen kunnen oplossen en slechts ca. 0,01% extra landgebruik vereisen. Het asfalteren van het spoorwegennet is wellicht nog interessanter. Zie Dr C. Le Pair http://www.clepair.net/archief/asfalteer.htm en http://www.clepair.net/recent/spoor.htm

[xx] Indur M.Goklany “The improving state of the world” 2008

[xxi] Zie ANNEX J: EXPOSURES AND EFFECTS OF THE CHERNOBYL ACCIDENT, UNSCEAR 2000

[xxii] Zie ook Ed Hiserodt “Underexposed, what if radiation is actually good for you” 2005 ISBN: 0-930073-35-5

[xxiii] Zoals de Luddieten die in Engeland in het begin van de 19e eeuw met geweld de mechanisatie en modernisering trachtten tegen te gaan. Zie http://en.wikipedia.org/wiki/Neo-Luddism

[xxiv] Zie Cees le Pair, http://www.clepair.net/windrendement.html, 18 april 2010

[xxv] Zie Dambisa Moyo, “Dead Aid: Why Aid Is Not Working and How There Is a
Better Way
for Africa” 2010

[xxvi] Er zijn thans circa 1,4 mln (sub)species beschreven, naar schatting bestaan er tussen(!) de 10 en 30 miljoen

[xxvii] Number of UN member states 192, number that are full-fledged democracies or “fully free” according to Freedom House: 88, equals 46%, bron: Hudson Institute USA

 

Kwijnende natuur

In kringen van groenaanbidders wordt nogal eens gesteld dat de natuur het door de mensen moeilijk heeft en dat de problemen eigenlijk alleen maar erger worden. De oceanen zijn leeggevist, de bossen vernietigd, het milieu is verontreinigd, de pure natuur is nagenoeg verdwenen, het aantal diersoorten neemt door de mens drastisch af, etc.

Het hangt er bij dit soort beschouwingen vanaf hoever we in de tijd terug willen gaan. In de prehistorie, toen er nog nauwelijks mensen waren, bestond de wereld geheel uit ‘pure natuur’. Er was toen waarschijnlijk meer bos dan nu. Of er ook meer vis in de oceanen zat is de vraag, de visstand is een voortdurend evenwicht tussen diverse elkaar beconcurrerende soorten. Door ingrijpen van de mens is dat evenwicht veranderd, maar niet noodzakelijkerwijs met een vermindering van de totale visstand tot gevolg. Milieuverontreiniging door mensen was er nog niet, zoveel is zeker. Het aantal diersoorten echter, de biodiversiteit, was in die tijd waarschijnlijk kleiner dan vandaag omdat de evolutie van verschillende soorten steeds verder gaat en ook omdat er door de mens meer verschillende landschappen zijn ontstaan en worden onderhouden en er vandaag bovendien actief getracht wordt soorten in stand te houden die in een ‘pure’ natuur niet zouden overleven. Van een grootschalige uitsterving van soorten is geen sprake. [xvi]

Met de groei van het aantal mensen op aarde groeide ook de menselijke invloed op de natuur. Hele wouden werden gekapt, landschappen werden grootschalig gewijzigd, grote steden ontstonden, locaal was de menselijke vervuiling aanzienlijk, maar mondiaal gezien kleinschalig. Bij de start van de industriële revolutie begon in het westen op flinke schaal vervuiling op te treden, met duidelijk waarneembare negatieve consequenties voor de natuur. Ongeveer 50 jaar geleden is het een prioriteit geworden om hier aandacht aan te besteden. Op dit moment is het in de westerse wereld schoner en groener dan het in de laatste paar honderd jaar is geweest. In Nederland staat ruwweg vier maal zoveel bos als 200 jaar geleden. Water en lucht zijn schoner dan zij in eeuwen zijn geweest.

In minder ontwikkelde gebieden verkeert men in één van de stadia die het westen in het verleden heeft doorgemaakt. In de pre-industriële gebieden bestaat locaal forse vervuiling maar op relatief kleine schaal. In industriële ontwikkelingsomgevingen wordt hier en daar stevig verontreinigd, vergelijkbaar met het westen van 200 jaar geleden. Maar in bijvoorbeeld China is de ontwikkelings­stap die in het westen 50 jaar geleden begon al zichtbaar. Zo worden er in China enorm veel bomen geplant waardoor dit land een aanzienlijke vergroening doormaakt, in veel hoger tempo dan we hier hebben gedaan. In Brazilië en in Indonesië wordt nog veel gekapt, maar er groeit ook heel veel bos terug. Er staat hier nog meer dan 80% van de ‘oerbossen’ overeind, aanzienlijk meer dan er indertijd van de grote wouden in Europa is overgebleven. De boskap wordt mondiaal in de zin van bosoppervlak min of meer goedgemaakt door de vergroening van o.a. China en de westerse wereld. De hoeveelheid bos op aarde lijkt systematisch te worden onderschat.[xvii]

Al met al is er op dit moment geen reden om bezorgd te zijn over de mondiale stand van de natuur.”

 

Zucht…..Weer het zoveelste artikel dat de gevolgen van de menselijke overbevolking tracht te bagateliseren, o.a. door met onjuiste feiten te strooien zoals over bijvoorbeeld de stand van de bossen in Brazilië. (Eén klein feitje: 90% van de Mata Atlantica, het atlantisch oerwoud, in sinds de komst van de Portugesen verdwenen). Verder is een groot deel van de bossen in Mato Grosso gekapt en gebeurt op dit moment hetzelfde in het Amazonegebied. En het bossenbestand mag dan in Nederland nu groter zijn dan 200 jaar geleden; het is in ieder geval maar een fractie van de wouden die 2000 jaar geleden bestonden. Hoe kun je in vredesnaam beweren dat de biodiversiteit, laten we zeggen bij het begin van het ontstaan van Homo sapiens zo’n 100.000 jaar geleden, waarschijnlijk keiner was dan vandaag. De schrijver van dit artikel lijkt zeer selectief te zijn omgegaan met de voor hem beschikbare informatie. Maar ja, met een optimistische bril op kan dat ook niet anders.

Zucht…..Het lijkt tegenwoordig mode te zijn, of een psychische behoefte, om mensen met artikelen zoals hierboven in slaap te sussen. Slaap lekker.

 

 

Wat de afname van de biodiversiteit betreft is een aardig artikel van Willis Eschenbach (‘where are the corpses’) toegevoegd als bijlage bij mijn stuk waarvan u een deel heeft weergegeven. Misschien had u dat al gelezen, maar zo niet: zeer de moeite waard. Beschouwingen over biodiversiteit zijn nagenoeg alle modelmatig, met andere woorden: bij afname van ‘ongerept’ bos wordt er evenredig aan de ‘verloren gegane’ vierkante kilometers een afname aan biodiversiteit verondersteld. Behalve in hele specifieke eilandsituaties (het verlies van de Dodo) zijn er (nagenoeg) geen voorbeelden van soorten die verdwenen zouden zijn als gevolg van menselijke actie. Wat de verloren gegane bossen betreft: ik baseer me op de FAO gegevens en het onderzoek van Grainger waar in mijn stuk naar wordt verwezen. Dat er grote wouden zijn gekapt en we thans naar alle waarschijnlijkheid belangrijk minder (oer)bos hebben dan 100.000 jaar geleden ontken ik niet. Of dat per saldo ook een teruggang in biodiversiteit met zich heeft meegebracht (vandaag in vergelijking met toen) valt m.i. ernstig te betwijfelen.

Dat er vandaag de dag nog geen noemenswaardige afname van biodiversiteit is waargenomen zegt niets. Uitstel, maar geen afstel. Veel soorten worden, doordat hun leefgebied wordt weggekapt (menselijke actie), met uitsterven bedreigd, maar zijn nog net niet helemaal verdwenen, omdat er gelukkig nog mensen zijn die zich daarvoor inspannen. Iets wat u blijkbaar niet belangrijk vindt. Of die inspanning, met een groeiende wereldbevolking, blijvende resultaat zal hebben is nog maar de vraag. Voordat Noord-Amerika door de Europeanen werd gekoloniseerd liepen er miljoenen bisons rond. Begin vorige eeuw waren die, door menselijk handelen, bijna geheel verdwenen. Gelukkig kon, dankzij millieubeschermingsmaatregelen, het tij worden gekeerd. De bison wordt tegenwoordig niet meer met uitsterven bedreigd. Iets dat voor heel veel andere soorten nog wel geldt. Die gaan wellicht in de toekomst de Dodo achterna. Gelukkig lopen er nog realistische mensen rond en niet allemaal, zoals u, met een onrealistisch optimistische bril. En we hebben niet alleen minder bos dan 100.000 jaar geleden. Nee, we hebben zelfs belangrijk minder bos dan 100 jaar geleden! Meneer Tjalma, ik hoop dat u op tijd uit uw wel zeer optimistische droom ontwaakt.

Mooi artikel, waarmee ik eigenlijk helemaal eens ben. Het is een goede samenvatting van allerlei feiten en observaties die je kunt maken omtrent dit onderwerp als je de onlogica van de Groenen beter begint te te onderzoeken. De idealen van de groene beweging zijn zeker ‘links’ (dwz socialistisch en totalitaristisch. Maar het maakt denk ik dan wel deel uit van ‘the new left’ zoals Ayn Rand dat noemt: nihilisten, waartoe ook de occupy beweging behoort.

Geachte heer Tjalma, 

Een goed gedocumenteerd overzicht waarmee ik het eens ben. Ik raad u aan om ook het boek van Mat ridley: the rational optimist” te lezen. 

Ik heb een kleine speelse correctie op uw bespreking van het werk van de Club van Rome: ze hebben namelijk op 1 punt gelijk gekregen: niemand fotografeert meer met zilverbromide film. Alleen de reden daarvoor is anders dan de Club dacht: er is een betere technologie bedacht (niet door de groenen overigens)

Kees de Groot

Geachte heer de Groot,

Dank voor uw commentaar. Het boek van Ridley had ik ten tijde van het schrijven van dit stuk nog niet gelezen. Ben er nu mee bezig. Zeer de moeite waard inderdaad.

m.vr. gr.

Koos Tjalma

Toen ik medio ’ 97 in mijn opleiding Chemische Technologie een opdracht kreeg om door te rekenen wat de mogelijkheden waren voor biomassaproductie en conversie in Nederland om de binnenlandse energievraag te vergroenen om het Broeikaseffect te beperken was mijn conclusie tweeledig:

1) Ten eerst was mijn conclusie dat zonder een forse reductie van de energiebehoefte van Nederland het niet mogelijk zou zijn om een noemenswaardig deel van de vraag door middel van biomassa(rest)stromen sociaal inpasbaar in te vullen,

2) daarnaast was mijn conclusie dat het naar alle waarschijnlijkheid onzinnig zou (de Nederlandse) CO2-uitstoot verantwoordelijk voor te houden voor het broeikaseffect, ondermeer op basis van de relatieve samenstelling van de atmosfeer en het destijds bekende isolerende effect van haar componenten.

Onnodig om te vermelden dat ik voor dat epistel een diepe onvoldoende kreeg…Het frappante is dan wel dat ik voor mijn latere carriere, mijn huidige werk, wel in de duurzaamheidssector ben beland. Ik ontwikkel en implementeer duurzame oplossingen voor bedrijven [b]met[/b], maar ook [b]zonder[/b] subsidie.

Duurzaamheid, wat is dat dan? SUM ERGO POLUTEM: Ik ben dus ik vervuil.
Duurzaamheid bestaat niet, het is niets. Niets is namelijk duurzaam, want alles heeft een invloed op zijn omgeving en het kwetsbare evenwicht daarin. De Brundtland-commissie heeft een voor u en mij zeer begrijpelijke en ietwat abstracte definitie geformuleerd, in de maatschappij merk ik dat mensen er een praktischer invulling aan geven: [“ik ben duurzaam, want ik rijd in een Prius”], of [“In mijn hele huis hangen alleen nog maar spaarlampen”], de aflaten van de moderne mens.

Ik zie duurzaamheid niet zozeer als een staat van zijn, maar als een vector, een richting. Een situatie is niet zozeer duurzaam in absolute zin, dan zouden we inderdaad terug moeten gaan naar de oertijd waarin we hooguit 30 jaar worden, het is een richting naar een situatie waarin we onze omgeving en het evenwicht relatief minder verstoren dan op het uitgangspunt. En het is een richting zonder einde.

Het doel is dus niet een situatie waarin geen enkele invloed bestaat op het evenwicht waarin wij ons begeven, dat is namelijk per definitie uitgesloten, maar het is een continue verbetering naar slimmer, efficiënter, beter, goedkoper, schoner, zuiniger, welvarender, en gelukkiger.

Helaas moet ik wel erkennen dan de overheid, en dan niet alleen (of juist niet) de stimuleringen, maar juist de beperkingen die zij stelt een grote mate van invloed hebben op de ontwikkeling en innovatie in onderandere de richting naar een duurzamere samenleving. Innovatie wordt niet in de laatste plaats gedreven door noodzaak, niet zozeer door ideologie. Restricties ten aanzien van emissies zijn in de afgelopen eeuw een prima motor geweest voor het verduurzamen van onze industrie. De milieupolitiek is zodoende niet louter een boosdoener in innovatie, de blinde stimulering van het ene, ten koste van het andere verstoort echter wel het level playing field. Dat is een kwalijke zaak.

Dat het klimaat verandert zie ik als een gegeven, dat heeft het tenslotte altijd al gedaan. Maar het is een nogal ijdele gedachte dat wij mensen het hele klimaat hier op aarde naar onze hand kunnen zetten. [‘Survival of the fittest’] Niet de sterkste, maar de best aangepaste overleeft, is de beste vertaling. Wellicht dat wij mensen onze aandacht meer moeten leggen op hoe wij ons flexibel kunnen aanpassen aan de veranderende omgeving, eerder dan dat wij die veranderende omgeving kunnen behouden, of zelfs de omgeving naar ons eigen beeld kunnen maken.

Met de toenemende omvang van de menselijke soort wordt onze invloed op de omgeving alleen maar groter en ons aanpassingsvermogen wellicht alleen maar kleiner. Hierin wijk ik wellicht af van de mening van de auteur, maar ik zie dit wel als wezenlijk argument tegen de grenzeloze bevolkingsgroei.

Peter

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geachte heer Hoogenboom,

Een paar opmerkingen n.a.v. uw genuanceerde betoog.

Een groeiende mensheid heeft m.i. in beginsel een toenemende invloed op de natuur. Of het aanpassingsvermogen van de mensheid daarmee afneemt is m.i. niet zeker. Een groeiende mensheid betekent ook een groei in technologische oplossingen. Dit verloopt i.h.a. schoksgewijs. De laatste 50 jaar heeft een groeiende bevolking in het Westen in ieder geval hierdoor geresulteerd in een verminderde (negatieve) invloed op de natuur, in plaats van een toename daarvan.

Wat de zegeningen van de ‘verduurzaming’ van de industrie betreft. Ik ben niet a priori tegen alle ‘duurzaamheidsacties’. Natuurlijk zijn er voordelen. Evenals er voordelen zouden zijn aan het vervangen van alle auto verbrandingsmotoren door electriciteit. In de steden zou het schoner en stiller kunnen worden bijvoorbeeld. De vraag is echter: welke prioriteit zou dit moeten hebben. Mijns inziens een relatief lage. Er zijn veel urgentere problemen op de wereld dan het stiller en schoner maken van steden. Het zou astronomische bedragen kosten om dit voor elkaar te krijgen. Dat geld kunnen we beter besteden. 

Dat is m.i. één van de kernpunten bij ‘duurzaamheid’. Behalve de vele (potentiële) nadelen die ik in mijn stuk noem zijn er ook wel voordelen. Maar deze vallen vaak in het niet bij de nadelen (en kosten).

In een aantal gevallen zijn er voordelen en is er zelfs ‘niets’ tegen. Dan moeten we het gewoon doen. Daar is dan ook zelden debat over.

Maar van een ‘heilige-missie-met-topprioriteit-anders-gaan-we-naar-de-haaien’ is m.i. geen enkele sprake.

m.vr.gr.

Koos Tjalma

Geachte heer Tjalma,

U begrijpt dat ik het in grote lijnen met uw verhaal eens ben. Dat overheid en (milieu)organisaties juist wel met die missie bezig zijn verstoort inderdaad het normale evenwicht in ontwikkeling en innovatie, in besteding en inzet van geld, arbeid en kennis.

Het enige waar ik een wezenlijk probleem mee heb is dat er altijd maar weer uitgegaan wordt van autonome groei als beste of zelfs enige motor van technologische en economische vooruitgang. Natuurlijk, wanneer de vijver groter wordt, zwemt daar ook meer potentieel in, maar is het niet veel efficiënter het reeds beschikbare potentieel beter te benutten? Het gaat er mij overigens niet per se om dat de bevolking in aantal moet dalen; op dezelfde manier als dat een dalende invloed op onze omgeving nooit nul zal worden, maar er oneindig naartoe kan ‘verduurzamen’  zou onze bevolking oneindig kunnen groeien zonder oneindig groot te worden (afvlakkende groei). Waar het mij om gaat is dat er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tijden zullen zijn waarin de wereldbevolking of landsbevolking zal dalen, want ook dat is natuur. Ik zou het zo prettig vinden wanneer wij tegen die tijd technologisch en organisatorisch in staat zouden zijn om in een dalend arbeidspotentieel toch economische en technologische vooruitgang te boeken, iets wat in mijn optiek (noem het: ideaal) zeker mogelijk moet zijn.

Dat het aanpassingsvermogen van een groeiende bevolking afneemt is voornamelijk van organisatorische aard. Met name een democratie loopt hierbij tegen haar beperkingen op.

Voor mijzelf en in mijn werk zie ik duurzaamheid vooral als een manier om slim met producten en processen om te gaan. Bedrijven die veel afval produceren en daar hoge kosten bij maken kunnen door een simpele aanpassing van afval een reststroom maken en daar geld voor vangen. Daarnaast probeer ik mensen zelfstandig te maken. Ik heb een vrij grote woning met daaraan een klein theater en een winkel. Ik heb nu zo’n houtgestookte CV-installatie neergezet en een paar boeren uit de omgeving leveren mij het benodigde hout. Die verdienen een leuk zakcentje met het opschonen van hun akkerranden, ik bespaar ca. de helft van mijn energiekosten, ik houd het geld in mijn eigen regio die daar economisch weer van profiteert. Warmte-integratie is zo’n ander onderwerp. Dit soort ontwikkelingen kunnen prima ontwikkeld worden zonder subsidie, ze leveren gewoon economisch voordeel op voor de bedrijven. Waar ik subsidie wel als doeltreffend middel zie is in innovatie van nieuwe technologieën. Inderdaad zoals het vroeger ging. Een universiteit krijgt een ruim onderzoeksbudget, en beleidsmakers moeten zich vervolgens niet zo druk maken om de koers van innovatie, daar ontbreekt het hen aan kennis, visie en geduld.

Meneer Hoogeboom,

Bij ons in de fabriek wordt het aluminiumafval opgeveegd en verkocht aan de hoogst biedende, wat wilt u nog meer?

 

Ik ben het in grote delen eens met uw verhaal maar helaas worden er wel diersoorten bewust uitgeroeid. Een hier van is de neushoorns in Zuidelijk Afrika.

Dagelijks worden die afgeschoten en ontdaan van hun hoorns voor de groeide markt in Azië, meestal China maar ook Vietnam en Thailand gebruiken deze hoorns als aphrodite. 

Mijn dunk over de Wereldnatuur Fonds is ook al jaren geleden zeer sterk gedaald. Het zijn de mannen op de grond die met gevaar voor hun eigen leven, deze stropers proberen te stoppen. Niet duurbetaalde krachten van allerlei natuur organisaties.

Verder zijn plastic flessen, de grootste vervuiling ter aller tijden. Ze drijven zelfs in Natuurgebieden in de binnenlanden van Suriname, ze liggen op de stranden van de Algarve. Vroeger dronk iedereen kraanwater, tegenwoordig koopt men water in plastic flessen. Wat een waanzin. Ontstaan door een gezondheid hype dat we 2 liter per dag moeten drinken! En dat kraanwater ongezond is! Ik dacht dat overal waterzuiverings installaties staan. 

Met vriendelijke groeten,

Alice Tromm

 

Geachte mevr. Tromm,

Dat het de moeite loont om neushoorns (en andere prachtige dieren) te beschermen tegen stropers ben ik met u eens. Daar zou best meer aan gedaan mogen worden. Ook de vervuiling door plastic (flessen) neemt in sommige streken weerzinwekkende vormen aan. Het bestrijden van dit soort ongewenste situaties verdient zeker de aandacht. Wereldschokkend is dit alles in mijn ogen echter niet. Ik geloof overigens ook niet dat u dat bedoelde te zeggen.

Ach,

Ik heb het hele artikel niet gelezen. Maar investeren in ‘duurzaam’ of ‘groen’ is investeren. En investeren doet de economie groeien, net als belasting betalen overigens. Een groeiende economie vindt bijna iedereen belangrijk, want dan lijk je rijker te worden.

Investeren in duurzaam en groen kan minder kwaad dan investeren in vervuilende zaken. De mens krijgt er een gezonder leefmilieu door, en dat leeft wel zo prettig.

En of menselijke activiteiten effect hebben op het klimaat is minder relevant. We constateren bijvoorbeeld meer problemen met de waterafvoer in ons land dan enkele decennia geleden. Dus dijkversterking is verstandig.

Hoe duurzaam is onze wereld waarin miljoenen mensen, zo niet miljarden in omstandighden leven waarin u en ik niet zouden willen leven?

 

Oortwijn heeft inderdaad het artikel niet gelezen.

Beste Koos Tjalma,

Ik kan me overwegend goed vinden in uw uitgebreide betoog. Wel denk ik dat de weg van bevolkingsplanning om het op termijn met minder mensen op deze aarde te doen, in veel opzichten een positieve ontwikkeling zou zijn. Ook als alles in uw betoog een correcte voorstelling van zaken is.

Minder mensen betekent meer ruimte voor een groter ‘Het Groene Hart’, met minder landschapsvervuiling (halve gare windmolens doen we natuurlijk sowieso niet), waar ik langer het gas van mijn oude Kawa kan opendraaien want op een kleinere bevolking doen we langer met de olie. De ouwe Kawa krijgt al een loodloos dieet, maar op zijn leeftijd nog overschakelen op een of ander biosapje ziet hij niet zitten. Benzine ruikt ook veel lekkerder dan koolzaadolie met een scheut alcohol. Dat laatste zou sowieso verboden moeten worden. Alcohol smaakt goed en dient de mens in het bloed, niet in de tank.

Stephen Fry meldde het onlangs weer in QI op de BBC. Honden en katten hebben carbonzolen ter grootte van een SUV (ruwweg). Katten eten bovendien al die steeds schaarser wordende tonijnen op, dus als we al groenig moeten worden, laat deze dan het eerste inslapen voor een beter mejeu en shit.

Ik begrijp dat ik me onder huisdiervrienden waarschijnlijk niet populair maak met een dergelijke promotie van actieve euthanasie, maar als je voor een marmot al in een Fiat 500 kunt rijden, lijkt het me het overwegen waard. Om klimaatneutraal Kawa te rijden mol ik momenteel mijn huismuizen. Scheelt ook weer in de muizenpoep (methaan) en alle kleine beetjes helpen immers.

Dank Heer Tjalma voor dit duidelijke artikel.

 

Ik stel vast (niet alleen op basis van uw artikel), dat 80% doemdenken klimaatpolitiek en 20% klimaat(wetenschap) speelt in de dominerende klimaat over natuur discussies, waarbij een utopische centrale wereld-aansturing het achterliggende leitmotief is.

De vraag is, hoe we de politieke wending voor elkaar krijgen om van een doemdenkende geloofspolitiek naar een pratisch werkende en economisch haalbare milieu politiek kunnen komen?

Is een stappenplan denkbaar, voor terugkeer vanuit klimaat-utopia naar een zindelijke natuurdiscussie?

Geachte Turris,

Ik heb de indruk dat de politiek in veel landen qua klimaatalarmisme een achterstand heeft op de publieke opinie. Hetzelfde geldt voor de mainstream media. Het grote publiek is in vrij korte tijd sceptischer, c.q. klimaat/milieu-moe aan het worden. Ik ben ervan overtuigd dat de grote media zullen volgen. Een eerste teken daarvan zag ik enige weken geleden bij Brandpunt, een typisch mainstream media opinie programma waar het Urker windmolenprogramma werd gekraakt en minister Verhagen hierover kritisch werd ondervraagd. Eén zwaluw maakt natuurlijk nog geen zomer maar een jaar geleden was een dergelijk item in een actualiteitenrubriek ondenkbaar geweest. Het gaat langzaam.

Zodra de media ‘om’ zijn volgt de politiek m.i. onmiddellijk. Overigens is in de politiek nu al een duidelijke ‘verrechtsing’ te zien in het groene domein. Van ‘groen rechts’ is gelukkig niets gekomen. Ook in de VS en de UK zie je een kentering.

Of dit een tijdperk inluidt van nuchtere milieupolitiek is natuurlijk nog maar de vraag. De belangen in de diverse sectoren zijn groot, de tunnelvisie en het ‘heilige geloof’ zijn dat eveneens. Er zal altijd een belangrijke groepering blijven van ‘groene denker’. Maar zodra de visie zoals ik die in mijn stuk tracht te omschrijven breder beschikbaar komt en ook in ‘normale’ kranten en tv programma’s voorbij komt zal m.i. blijken dat een zeer grote groep er hetzelfde over denkt. Men wordt nu allerlei basisinformatie onthouden.

Kortom, ik ben optimistisch. Het is overigens navrant dat een financiële crisis helpt om dit soort gezichtspunten over de bühne te krijgen. Het failliet van het solar energy project in Spanje bijvorbeeld blijft niet onopgemerkt.

m.vr.gr. Koos Tjalma

Eindelijk aandacht voor de werkelijke agenda achter het zgn. groene e/o duurzaamheidsdenken: de one-world government (naar mijn mening: totalitaire dictatuur) die groepen zoals de Bilderbergers, de Trilateral Commission en de Council on Foreign Relations ambiëren. De westerse cultuur met zijn christelijke waarden en verlichtingsdenken is daarvoor het grootste obstakel. De internationale financiële machthebbers maken gebruik van wat Lenin ooit “bruikbare idioten”noemde om met het extreme duurzaamheidsdenken de westerse economie te marginaliseren en daarmee wordt de grootste bedreiging voor de “New World Order” opgeruimd.  (Zie eerder citaat van C.S. Lewis.)    

Geachte heer Tjalma,

Het wordt toch echt tijd, dat U eens wat huiswerk gaat maken over Christus’ Gedachtengoed: Zonder Christus’Gedachtengoed hadden wij nu geen goed georganiseerde gezondheidszorg, stelde de sociale dienstverlening aan Jan Modaal niets voor: zie de Islamistische wereld, waar Jan Modaal zich maar moet zien te redden, als de nood aan de man komt! Handelend naar de geest van Christus’Gedachtengoed werden wij nu niet geteisterd door de door Uzelf beschreven millieu-hysterese veroorzaakt door het Verlichtings-gedachtengoed zelf! Want claimen de Milieualarmisten-gelovigen niet dat zij bij uitstek de Verlichting aanhangen en juist vanuit het Verlichtingsgoed tot hun milieuhysterese zijn gekomen? En naar nu blijkt voor geen rede vatbaar zijn, zelfs niet naar al de redelijkheid van Dé Verlichting? Is de hele gang van zaken rond het idiote Urker-windturbine-Park niet hét bewijs, dat het Verlichtingsgedachtengoed uiteindelijk tot rampspoed voor de mensheid leidt?

Ik wijs U erop, dat de beide Wereld-Oorlogen én bedacht én en in al hun gruwelijkheid gevoerd zijn vanaf de bakermat van de Verlichting: Berlijn gelegen in de voormalige DDR.

Het huidige islam-terrorisme is uiteindelijk te wijten aan het Verlichtings- gedachtengoed. Ik laat het hier maar bij, omdat er nog veel meer is aan te voeren tegen het volslagen ongegronde triomfalisme van het Verlichtings- denken.

Desondanks met vriendelijke groeten, Onno P. Wolters

Geachte heer Wolters,

Aangezien het ‘verlichtingsdenken’ de laatste pakweg 100 jaar een (misschien wel dé) dominante denkrichting is geweest in het Westen heeft u m.i. in zekere zin gelijk dat ook de over ons gekomen rampspoed in die periode daaraan debet is. Daar valt geen speld tussen te krijgen lijkt me.

Mijn bedoeling is niet ‘de verlichting’ tegenover ‘het Christendom’ te zetten.

Het punt dat ik wil maken is dat het ‘duurzaamheidsdenken’ zich presenteert als ‘objectief wetenschappelijk’. Maar dat het in werkelijkheid sterke religieuze trekken heeft, selectief winkelend bij het Christendom (de zondeval).

Koos Tjalma

” Of all tyrannies, a tyranny sincerely exercised for the good of its victims may be the most oppressive. It would be better to live under robber barons than under omnipotent moral busybodies. The robber baron’s cruelty may sometimes sleep, his cupidity may at some point be satiated; but those who torment us for our own good will torment us without end for they do so with the approval of their own conscience.”

C. S. Lewis, God in the Dock

Helemaal niets aan toe te voegen.

Koos Tjalma

Het artikel mengt twee klaagzangen, klimaat en duurzaamheid. Ik heb zojuist het boek “De staat van het klimaat” uitgelezen en ben niet overtuigd dat onze inspanning enig positief effect kunnen hebben. Stoppen met pogingen een temperatuursverandering te voorkomen, dat werkt toch niet.

Op het gebied van duurzaamheid haak ik af. In de definitie van Bruntland staat ontwikkeling oftewel wij mensen mogen verder leven en voor onszelf zorgen. Wij mogen een goed leven nastreven. Alleen moeten we zorgen dat we de aarde niet onnodig vervuilen. Dus duurzaam bosbeheer in plaats van halve bossen omkappen. Afval hergebruiken waar dat kan, consumentenproducten maken die na afloop niet op een hoop belanden maar hergebruikt kunnen worden (cradle to cradle). Geniet van de aarde, maar houd lucht, grond en water schoon.

Al dergelijke maatregelen vallen onder het begrip duurzaam en maken dat we bij alles wat we doen eerst nadenken over de gevolgen. Dat betekent een duw in de rug voor de economie, innovatieve technieken en onze welvaart en tegelijk onze kinderen niet belasten met ons afval in de ruime betekenis van het woord. Daarom ben ik voor de VVD de (provinciale) politiek in gegaan. Voor ons welzijn maar met onze verantwoordelijkheid.

In beginsel ben ik het met u eens. Mijn punt is: laten we nuchter naar milieu aspecten kijken, feiten en fictie blijven scheiden en een afweging maken gericht op de concrete belangen van de mensheid.

Ik volg bovenstaand relaas, maar mis de ‘bedenkingen tegen duurzaamheid’. Ik erken dat de klimaathype en de grondstoffenschaarste schromelijk wordt overdreven en dat milieumaatregelen, hoe goed bedoeld, ook negatieve sociale gevolgen kunnen hebben. De roman State of Fear van Michael Crichton geeft dit goed aan. De hypocriete houding van Westerse natuur- en milieuorganisaties is ook mensonterend.  

 

Duurzaamheid heeft echter ook een sociale component. U stelt: “duurzaamheid betekent onder meer: zo min mogelijk energie verbruiken, niet uitbundig consumeren maar ‘consuminderen’, zo min mogelijk afval veroorzaken, huisvuil zorgvuldig scheiden voor de recycling en zuinig zijn met drinkwater. Dit alles niet zozeer om kosten te besparen maar om te voorkomen dat de aardse hulpbronnen ‘op’ raken en er onvoldoende over is voor de volgende generaties. Dat de volgende generaties nog talrijker lijken te worden dan de mensheid nu al is vormt in dit denken een grote bron van zorg. ‘Vroeger of later moet dit wel mislopen’.

In sommige kringen is het begrip duurzaamheid nog aanzienlijk uitgebreid en omvat het ook zaken als het tegengaan van armoede, corruptie, kinderarbeid, moderne vormen van slavernij, dierenmishandeling en de bio-industrie. Het duurzaamheidsbegrip in deze breedte laat ik hier buiten beschouwing.” 

 

Ik vraag me hierbij af waarom?

 

Zoals u zelf al zegt: “Duurzaamheid is in haar hedendaagse betekenis in 1987 gedefinieerd door de VN-commissie Brundtland als ontwikkeling” ? Er werd gesteld dat ARMOEDE een oorzaak van milieudegradatie was (en is). Nog vaak wordt dit verwisseld. Ontbossing in de derde wereld? Veroorzaakt door mensen die van de houtkap leven en/of brandhout sprokkelen gedreven door armoede. Investeringen daar geven hen de mogelijkheid te ontwikkelen om te voorzien in hun behoeften. Duurzaamheid gaat mijn inziens niet enkel over hier&nu maar ook daar & later.  Nu ik dit zo stel denk ik dat dat inderdaad cru klinkt want in feite kan dit worden verdraaid met wij alle luxe en de rest van de wereld pas later. Ik bedoel echter hier EN daar en nu, maar OOK later. Veel milieuprojecten stellen doelen voor daar in 2100. Wat belachelijk is, we moeten nu iets doen. Een van de opties is inderdaad sober consuminderen en respectvol omgaan met onze medemensen en omgeving.

 

U verwijst o.a. naar Lomborg, ook hij heeft aangegeven dat door Welvaart milieuproblematiek is aan te pakken (aks eerst de sociale problemen worden aangepakt).  Milieu heeft nu eenmaal ook een sociale component. Iets wat te vaak bij natuur- en milieu-organisaties wordt vergeten…

 

Mijn bedoeling in dit stuk was om aannemelijk te maken dat de angst voor wereldrampen door onbedoelde bijwerkingen van menselijke menselijke activiteit geen grond heeft. En dat het streven naar het vermijden van die bijwerkingen o.a. hypocrisie met zich meebrengt en uiteindelijk neerkomt op het stoppen van de vooruitgang, onvrijheid, etc. Het ‘op één hoop vegen’ van alle vermeende onwenselijkheden in de wereld door het bredere ‘duurzaamheids’begrip te gebruiken focust de discussie m.i. te weinig.

Koos

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.