———————————————————————————————————
Aanstaande zaterdag 31 mei houdt het CDA het jaarlijkse congres en naar verwachting zullen de keurige dames en heren aldaar gemiddeld drie maal per uitgesproken zin het woord ‘duurzaam’ gebruiken. Het CDA is daarin niet uniek, ook andere partijen doen dit en altijd met een intonatie van iedereen-begrijpt-wat-ik-bedoel. Maar de vraag is of die mensen zelf wel begrijpen wat ze bedoelen als ze het over duurzaamheid hebben. Ton Ahsmann over een hol modewoord.
1. . Een echte Fata Morgana.
Het woord duurzaamheid wordt naar mijn mening in de openbare diskussie meestal zeer onexact en vaak ongegrond gebruikt. De oorspronkelijke betekenis van duurzaam is: wat in normale omstandigheden en zonder doelbewust aantasten lang stand houdt. Dit vindt men bijvoorbeeld gerealiseerd in de vroegste synthetische wasmiddelen, in de traditionele kunststoffen, en ook in gewolmaniseerd en gekreosoteerd hout. Maar in het nieuwmodische gebruik van het woord duurzaam zijn zulke stoffen, omdat zij niet snel biologisch afbreekbaar zijn, juist onduurzaam.
Wat is hier aan de hand? Wat is de betekenis van deze nieuwmodische duurzaamheid?
Ook hebben wij in deze sectie meegemaakt dat het aanbrengen van extra groen en water in onze woonomgeving werd aangeprezen als een bijdrage aan de bevordering van „de duurzaamheid". En ook het stichten van natuurreservaten, desnoods kunstmatig, wordt met het duurzaamheids- evangelie in verband gebracht.
Het onberedeneerde geloof dat hier m.i. achter zit is, dat conservering van het bestaande, vooral m.b.t. de natuur en van daar uit soms gewoon maar natuur, principieel te verkiezen is boven ontwikkeling door mensen. Waarom? Wel, men voelt het nu eenmaal zo omdat velen in onze luxueuze westerse ambiance verbeteringen (mensen-werk!) als minder dringend ervaren dan natuurbehoud en heemschut. Immers men kan zich verbetering niet altijd helder voorstellen. Dat is verwarrend, het riekt naar instabiliteit en wekt twijfel, zo niet achterdocht jegens de verbeteraars van wie men niet afhankelijk wil zijn. En aan de andere kant roept het teloor gaan van iets bekends vaak levendige gevoelens van verlies, vergankelijkheid en onherroepelijkheid op. De doorsnee-westerling hecht, onder de indruk van de ongrijpbare onzekerheid van de toekomst, meer aan de suggestie van bestendigheid en geborgdheid. Bij de arme bevolking van de Derde Wereld liggen de prioriteiten natuurlijk totaal anders: Die heeft veel beter zicht op de realiteit van mogelijke lotsverbetering omdat zij daarvoor maar naar het Westen hoeft te kijken. Zij ziet lotsverbetering dan ook als belangrijker dan conservatie, en is ook meer geneigd afhankelijkheid te zien als het minste kwaad.
Het boven geschetste duurzaamheidsideaal is dus sterk welvaartsgekoppeld. Dit duurzaamheidsbegrip is:
• Sterk betrokken op de natuur en tegen het ingrijpen door andere mensen hierin.
• Gericht op het vertrouwde en tegen het ingrijpen door andere mensen hierin.
• Voor zijn zorgaandacht betrekkelijk sterker gericht op de toekomst en minder op het heden dat, dank zij de welvaart, niet meer problematisch is.
Dit duurzaamheidsverlangen is dus een mengelmoes van conservationisme en misanthropie tezamen met een romantische huiver voor de toekomst. Vooral in het laatste heeft het zich sterk georiënteerd op het onheilsscenario van Dennis Meadows’ „Grenzen aan de Groei" van 1972, het zg. „Rapport van Rome".
De Conferentie van de Wereldraad van Kerken in Boston van 1979 stond zwaar in het teken van dit Rapport, mede onder invloed van de dissidente Amerikaanse econoom Herman E. Daly, die de Meadowse gedachte ondersteunde dat groei altijd ergens moest eindigen. Zo ontstond in die tijd het begrip „Economie van het Genoeg", een economisch beginsel dat het Meadowse spaak lopen moest voorkomen en het mondiale economische bedrijf „sustainable" moest maken, vertaald als „houdbaar" of „duurzaam".
Vanuit de Bostonse conferentie verspreidde deze gedachte, tezamen met de toen nieuwe term duurzaamheid (in de nieuwe betekenis) zich, vooral via de nederlandse Raad van Kerken, in het nederlandse taalgebied. Dit begrip Duurzaamheid bestaat dus alleen bij de gratie van een onbetwijfeld geloof in de Meadowse onheilsvoorspelling, welk geloof in de 70-er jaren in ons land zeer sterk (over-)heerste.
Later, in l987, gaf het VN-rapport „Our Common Future", geschreven onder leiding van Gro Harlem Brundtland een definitie van het begrip duurzaamheid die èn nuchterder èn helderder was. Deze vernieuwing hield verband met de ervaring dat economische nulgroei het toch ook niet was. Er was ook wat meer verzet tegen het Meadowse „doemdenken" (een term van het duo Koot en Bie) en dat had geleid tot een middenwegformule: groei moest toch ook maar mogen, maar het moest dan wel „selektieve groei" zijn. Een echte doorbraak van het realisme was de constatering in het Rapport Brundtland dat niet groei, maar armoede de ergste vervuiler was. Brundtland formuleerde, dat duurzaamheid betekende, dat de menselijke technisch-economische activiteit wel toelaatbaar was mits daardoor de kansen van latere generaties niet werden geschaad tot beneden ons eigen peil.
Het huidige duurzaamheidsgeloof is mede onder invloed van Brundtland wat minder radikalistisch maar verder nauwelijks veranderd. Gerekend naar de redengeving van het woord duurzaamheid is het belangrijkste element daarbij de economische basis van de toekomstige mensheid, een duidelijke doelstelling. Er zijn daar echter nog twee problemen mee:
Ten eerste maakt de essentiële onzekerheid van de toekomst, dat een garantie voor de beoogde latere generaties onmogelijk is.
Ten tweede is ook nu al onbepaalbaar of het duurzaamheidsvraagstuk wel bestaat.
Ad 1.: Een gunstig vooruitzicht voor het nageslacht kan hoogstens betekenen dat het waarschijnlijk wel goed zal zitten daarmee. Zekerheid dienomtrent is onbereikbaar. Wij kunnen hoogstens de kans vergroten dat het wel goed zal gaan verder, maar zelfs het meten van die kans is een fictie. Duurzaamheid als einddoel veronderstelt zekerheid en is dus een klassieke Fata Morgana.
Ad 2.: Indien reeds nu vast zou staan dat komende generaties het beter zouden hebben dan wij, was de Brundtlandse duurzaamheid een feit, en was er dus geen duurzaamheidsvraagstuk. Dat is natuurlijk niet zeker, maar het tegendeel is minstens zo twijfelachtig. Tot nu toe heeft, globaal gezien, iedere generatie het economisch al wel beter gehad dan de vorige. En de enige reden waarom men zou kunnen veronderstellen dat de huidige toestand onduurzaam ware is, dat sommige economische praktijken - het ontginnen van woeste grond b.v., of van diskrete ertsvoorkomens - niet onbeperkt voortgezet kunnen worden. Wij gebruiken dus nu eindige middelen, voorlopige oplossingen. Wat is daar dan wel op tegen? Het zou alleen tot economisch (of als u wilt ecologisch) verderf leiden als wij uitzichtsloos gevangen zaten in het huidige pakket van korte-termijn- oplossingen en een ontsnapping daaruit door koerswijziging niet meer mogelijk was. Maar tot een koerswijziging worden wij nu juist opgeroepen door alarmisten. Juist dit bewijst dat ook zij niet geloven in het (Brundtlands) on-duurzame van de situatie.
Wat scheelt er dan nog aan? Wat anders dan dat zij nòg meer zekerheid eisen t.a.v. de toekomst?
2. De Schimmige Toekomst.
(Oktober 2001).
Onzekerheid m.b.t. het milieu als probleem is eenvoudig te herleiden tot bezorgdheid voor de toekomst. Men kan, zuiver akademisch redenerend, ook wel een punt maken van nooit opgeloste vragen over het milieu vroeger; zo zou men zich kunnen afvragen hoe sterk het verband is tussen de bekende vergiftiging met lood van de bevolking van het klassieke Rome enerzijds, en anderzijds de ondergang van het Romeinse Rijk.
Maar die vraag ligt meer op het vlak van het anekdotische, de curiositeit, de kennis om de kennis, als op het vlak van zorgwekkendheid. Milieu als probleem echter gaat altijd over de vraag: Wat gebeurt er nu met ons? M.a.w.: Waar gaat dit naar toe?
Kunnen wij iets te weten komen over onze toekomst op grond van nu waarneembare tekenen? Kan onze gezondheid bijvoorbeeld gaan lijden als gevolg van bepaalde milieufeiten? Kan een bepaald gebruik van dieren, planten, grond, water, chemicaliën leiden tot ongewenste gevolgen? Deze vragen hebben onbetwistbaar betrekking op de toekomst.
Het ongemakkelijke van deze vorm van onzekerheid is dat wij de toekomst niet kunnen onderzoeken. Het enige dat wij hier kunnen is extrapoleren en dat is al sinds mensenheugenis een hachelijke zaak gebleken. Pogingen om de wat meer verwijderde toekomst te voorspellen lopen altijd uit op lachwekkende tot meelijwekkende resultaten. Logisch! Onze extrapolaties berusten op kennis van het heden en dan gaat het om beperkte kennis van een uiterst komplex onderwerp. Toen men in het begin van de vorige eeuw dacht dat de Limburgse steenkool binnen afzienbare tijd zou op-
raken hield men geen rekening met de modernisering van de scheepvaart, die steenkool uit de VS en Australië goedkoper zou gaan maken. Men hield ook geen rekening met de vorderingen van de geologie, die opsporing van aardgasvoorkomens meer en meer zouden vergemakkelijken. En zo kon rond 1900 niemand voorspellen dat wij het zwarte goud in Limburg ooit nog achteloos zouden opgeven. Zelfs dat vraagstuk was ons stervelingen al te komplex. Hoeveel te meer geldt dat voor weervoorspellingen op termijn van een enkel jaar of voor de vraag hoe de dobbelsteen zal rollen over vijf tellen van nu.
Niettemin moet er wel gespeculeerd worden; problemen vragen per definitie om oplossingen, ook al is de uitgangskennis voor extrapolatie nog zo schamel. En daar is de politiek goed in. Daarbij valt warempel nog te kiezen voor twee verschillende werkwijzen of mengvormen ervan (als wij bedrog buiten beschouwing laten). De ene, de makkelijke, is het neuzentellen, de andere is het zwoegen, in zekere zin strijden, voor het doen zegevieren van een eerlijke overtuiging. Het resultaat is in de praktijk altijd een beslissing, eerder te vroeg dan te laat. Dat komt door het in de democratie steeds zwaar wegende ingrediënt Neuzentellen. Gezien ook het feit dat ook het
uitstellen van een beslissing een beslissing is in de democratie, is de klacht dat de democratie besluiteloos is een misvatting. Komt de beslissing niet, die u graag gezien had, dan is dat omdat iemand nee gezegd heeft (niet of nog niet). En dat is dan niet geen beslissing, maar gewoon een andere beslissing dan u bedoelt. Echte besluiteloosheid, zijnde innerlijke verscheurdheid, kan in een democratie alleen dan optreden als toevallig alle maar dan ook alle stemhebbenden gelijktijdig innerlijk in dubio zijn, een wonderlijk tafereel, dat zeker de kronieken zou hebben gehaald onder de noemer van een historische 100% stemonthouding. Dat is nog eens wat anders dan een laag opkomstcijfer.
Beslissingen komen er dus heus wel m.b.t. het milieu. De vraag is alleen hoe wij aan de goede beslissingen komen als wij het toeval buiten beschouwing laten. Omdat in de democratie vertrouwen in de deskundigen in een enigszins verdachte reuk staat heeft de demokraat behoefte aan enkele eenvoudige vuistregels die ook door leken kunnen worden gehanteerd zoals:
1) Mondigheid, oorspronkelijk een term die betekende dat de burger de leeftijd had bereikt waarop hij geacht werd zelf belangrijke beslissingen over zijn eigen leven te kunnen nemen, nu met de betekenis dat iedereen die kan, mee moet praten, zodat hij beseft dat hij het mede aan zichzelf te wijten heeft wat hem overkomt. Democratie in optima forma als troostprijs.
2) Duurzaamheid, de illusie dat het mogelijk zou zijn nú te besluiten wat op het gebied van milieu en natuur het meest heilzaam zou wezen voor komende generaties (die immers duidelijk nog niet mondig zijn). Dat het hier inderdaad om een illusie moet gaan ziet men gemakkelijk in als men overweegt dat de komende generaties t.z.t. veel meer zullen weten dan wij nú ook maar bij mogelijkheid zouden kunnen weten. De konklusie is natuurlijk dat wij de keus veel beter aan de komende generaties zouden kunnen overlaten maar dat zint de huidige generatie niet. De illusie is te dierbaar.
3) Voorzorgsprincipe, in zijn meest extreme vorm behelzend dat het altijd beter ware datgene achterwege te laten dat ook negatieve gevolgen met zich zou meenemen.
Eenvoudige praktijkvoorbeelden leren dat dit ideaal (de extreme vorm) strijdig is met de werkelijkheid en dat i.p.v. voorzorg het in de praktijk een permanent regiem van voorlopige zorg is dat het leven mogelijk maakt (ons eten om de volgende maaltijd te halen bij voorbeeld). Voorzorg kan soms nuttig wezen maar dat hangt af van het prijskaartje. Deze basiswijsheid ziet men in de politiek helaas nooit vermeld. Vele simpele democraten denken daarom dat men iets niet moet doen als het problematische gevolgen zou kunnen hebben, niet beseffende dat het afwijzen van alle risico’s het bestaan onmogelijk zou maken.
De drie hier genoemde vuistregels brengen dus hun eigen gevaren mee en doen aldus sterk denken aan het gezegde over de Duivel en Beëlzebul. Het nemen van risico’s bij het hanteren van onzekerheden zal dus toch onvermijdelijke voorwaarde blijven bij het voortbestaan.
Materieel gezien is kapitaal hierbij de enige zekerheid die wij ons kunnen verschaffen, de enige ondersteuning ook die wij toekomstige generaties kunnen nalaten.
En onder kapitaal moeten wij dan vooral verstaan geaccumuleerde wetenschap, voorraden, infrastructuur en, in beperkte mate wegens hun verouderingsgevoeligheid, ook tijdgebonden kapitaalsgoederen en onderwijs. Wegens de karakteristieke schimmigheid van de toekomst blijven alle andere vormen van voorzorg wezenlijk onzeker.
1. Notitie t. b. v. de Sectie Filosofische Grondslagen v. het Milieudenken
van de KIVI-afdeling Filosofie & Techniek (Juli 2000).
Ton Ahsmann
Milieu en duurzaamheid zijn sterk gerelateerd aan elkaar. Milieuorganisaties zijn juist kritisch met het woord duurzaam dat te makkelijk gebruikt wordt door bepaalde producenten. Bij dat laatste ligt ook meteen het hedendaagse probleem van het woord duurzaam…
Nieuw commentaar posten